Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Gouvernementen de circonstance. Ik zeg ook dit, Mijnheer de Voorzitter, zonder eenige kwetsende bedoeling. Het waren enkel1 Ministerien de circonstance. Waaruit toch waren zij ontsproten? Waren zij niet alle ontstaan uit den hartstocht, uit de stemming, uit het belang, uit het weêr of de bui, uit de combinatie van éénen dag? En waarom en hoe zijn zij te niet gegaan? Om gelijke reden en gelijkerwijze als zij waren ontstaan.

Ten slotte. Wanneer de Minister zich beklaagt over die zoogenaamde stelselmatige oppositie, waaronder hij niet kan verstaan hetgeen men soms une opposition quand même noemt, tegenspraak tegen alles zonder constitutief beginsel, heeft hij dan geene reden om zich zeiven de vraag te doen: waaraan ontleent die stelselmatige oppositie zooveel kracht? Mij dunkt, juist tegenover eene stelselmatige oppositie wordt, een Ministerie, dat vast en hoog genoeg staat, door discussie sterk. Het beklag, dat wij het Ministerie zooveel kwaad doen, moet daarom den Minister zeiven bij eenig nadenken ijdel toeschijnen; dat kwaad toch, zoo er kwaad wordt gedaan, ontstaat enkel uit onze gronden of redenen.

Ik herinner mij daarbij hetgeen mij eens te Leipzig voorkwam. Een muzikant, die nog al veel beweging maakte, onderhield elk een met de klacht, dat hij geen concert tot stand kon brengen. Waarom niet? Er waren, zeide hij, dertien verschillende kabalen, die hem in den weg stonden. Maar de goede muziekkenners wilden van die kabalen niets weten en meenden de oorzaak bij den muzikant zeiven te vinden.

Antwoord aan den minister van binnenlandsche zaken. Eene partij, had de minister gezegd, die steeds er op uit was, de regeering te ondermijnen en onmogelijk te maken, en haar kracht te breken, miste het recht te klagen over de zwakheid van die regeering. „Hiermede zou ik kunnen eindigen, maar er is een opmerkelijk woord gesproken door den afgevaardigde uit Breda. Deze heeft een zekere klacht, niet tegen de regeering, maar tegen den tegenwoordigen toestand geuit en gezegd: hoe is het dan mogelijk, dat een liberaal ministerie kan bestaan, zonder dat de man, die tyj uitnemendheid is aangewezen, als het hoofd van de liberalen, daarin plaats vindt?

„Mijnheer de voorzitter,- ik zal over dat thema niet uitweiden: ieder begrijpt wat in dat thema gelegen is; dit alleen zeg ik: ziedaar den sleutel."

Ik heb over het slot van de rede van den Minister niets te zeggen dan dit: men beschikt over mij zonder mij te vragen. »

Ik mijd liefst al wat persoonlijke discussie is of kan worden. Ik mijd die bovenal gaarne met een ouden bondgenoot, die zooeven nog eene samenwerking, die niet zonder vrucht was, herinnerde. Maar ik ben toch verplicht te zeggen dat de Minister mij verkeerd heeft verstaan, wanneer hij begreep dat de tegenstand, waarvan

Sluiten