Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

den ijver van achtingswaardige geleerden tegemoet te komen; zoozeer als iemand stel ik belang in de onderwerpen hunner studie. En evenwel moet ik verschillen van hetgeen wij den Minister zooeven hoorden beweren. De Minister ziet in die onderwerpen of in de zorg daarvoor „eene publieke zaak"; ik meen, zij zijn geene regeerings- of staatszaak; zij mogen of moeten niet als zoodanig worden behandeld. De partikuliere hulp heeft, zegt de Minister, ontbroken; zij heeft zich, beweer ik, alleszins vertoond; en zij zou dit nog meer hebben gedaan, wanneer men niet een Rijkssubsidie had voorgespiegeld.

Mag de Vertegenwoordiging in het belang der zaak zelve toestaan hetgeen hier gevraagd wordt? Ondersteuning, bescherming noemt men het, van geleerden gelijk van industrieelen, is een gemakkelijk populariteitsbejag. Men maakt daardoor aan beiden zijn hof; maar gelijk menige hoofschheid, is ook deze bedriegelijk en wordt zij niet dan ten koste van het algemeen, van vrije, nationale ontwikkeling gepleegd. Wat wordt hier voorgesteld? Zekere geleerden voor eene reeks van jaren, in het eene geval gedurende 13, in het andere gedurende 5 jaren, te betalen uit de schatkist, om hen zekere boeken te laten schrijven. Ik neem de begrooting der jaren aan, die evenwel, zooals menige andere, uit de hand zou kunnen vallen. Wij zouden, voor zooveel dat bij eene Vertegenwoordiging mogelijk is, ons verbinden voor 13 en voor 5 jaren, zonder eenigen waarborg dat daarna tot stand zal zijn gekomen, hetgeen waartoe de ondersteuning bestemd is. Zijn de werken na dat tijdsverloop niet voltooid, dan zal men evenwel met het subsidie voortgaan om de vruchten van hetgeen reeds werd betaald niet geheel te verliezen.

Naar mijn inzien, ik spreek nu uit eene even vaste als, geloof ik, liberale overtuiging, mag dergelijke vraag niet worden ingewilligd.

Dat te doen is in de eerste plaats aan zekere personen eene bevoorrechte stelling geven; het werk dat aldus met publieke hulp geschreven is, zal meer of min een schijn hebben van publiek gezag; het zal zijn voortgekomen uit een soort van regeeringsbureau van lexicographie of insektenkunde. Zelfs die schijn moet, in het belang van de wetenschap en van hare vrije beoefening, worden geweerd. Zoodanige bevoorrechte stelling heeft nog andere gevaren. Ook den wakkersten ijver moet men niet op zulk een kussen leggen. En men weêrhoudt daardoor anderen. Men beperkt of belemmert de concurrentie. Worden zekere personen van regeeringswege ondersteund om eene zekere taak te volbrengen , dan zullen anderen, bekwaam en genegen om het hunne te doen, stil zitten en wachten. Dit geldt bij het woordenboek, zoowel als bij het boek der insekten. Wat het laatste inzonderheid betreft, twijfel ik of men zich op het

Sluiten