Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

dienstplichtigheid hebben wij een vasten, gereeden grondslag voor de hand. Ieder zal zich naar vermogen en verkiezing bevrijden. Moet, om de heerediensten op eens af te schaffen, eene nieuwe belasting ingevoerd of eene bestaande, bijv. de landrente, verhoogd worden, dan zal men een grondslag van belasting, die in Indie geen bezwaar kan hebben, prijs geven. Mijne meening zou zijn, dat hij, die thans verplicht is om diensten te praesteeren, in de gelegenheid wierd gesteld om jaarlijks af te koopen; en gaarne had ik bij de beraadslaging over de cultuurwet een amendement voorgesteld' tot bepaling, zoo noodig, van een minimum waarboven de GouverneurGeneraal jaarlijks voor iedere residentie de som had vast te stellen, waarvoor de dienstplichtige zich zou kunnen bevrijden. Daardoor zou onderlinge afkoop, waarvan hier sprake was, niet worden belet, maar zou de Staat, gelijk de inlandsche maatschappij, èn in arbeidskracht èn in geld rijker worden. In het belang alzoo eener bespoedigde opheffing der heerediensten, en in het belang der financiën, zou ik het minder raadzaam keuren, mijne meening in de termen, welke de generaal van Swieten koos, te verklaren. Bij eenheid van beginsel, onderscheid van het middel, dat hij en ik vooral in overweging zou wenschen te zien nemen.

Zoo de generaal van Swieten zijne motie over dit veelomvattende thema mocht intrekken, ben ik gereed om van mijne zijde de vergadering niet langer bezig te houden met het middel dat mij het meest verkieslijk zou voorkomen, en waarop met grooten aandrang door vele leden bij de beraadslaging over de zoogenaamde cultuurwet aangehouden werd. Men zal daarop kunnen en moeten terugkomen bij het wetsontwerp tot regeling van de uitgifte van woeste gronden, dat dezen morgen aan de Kamer is ingezonden. Derhalve ik zal er mij niet tegen verklaren zoo men het onderwerp aan eene latere beschouwing overlaat, die dan in de onderscheidene redenen voor en tegen dieper zal kunnen treden.

Eindelijk de motie van den heer van Heukelom.

Dat ik het beginsel dier motie ben toegedaan, blijkt uit de mijne. Maar in hetgeen de heer Kappeyne „het concrete" dier motie genoemd heeft, vinde ik eene grens waarover ik niet henen kan. Is het een nauw geweten, is het kortzichtigheid van mijne zijde, ik durf het niet beslissen; maar ik kan niet anders zeggen dan hetgeen mijne vaste overtuiging mij dicteert. En dan stuit mij in deze motie, en belet mij om mij daarmede te vereenigen, ofschoon ik het beginsel voorsta, drieërlei reden.

De motie wil de Kamer laten verklaren dat een Koninklijk bevel tot schorsing van de uitvoering eener verordening van den Gouverneur-Generaal niet moet worden nageleefd. In de verordening is bepaald dat zij met den eersten Januari 18G7 zal beginnen te werken, doch het Koninkljjk bevel schorst. Dat tegenover zulk een bevel van het Opperbestuur de Kamer zou verklaren: „ga evenwel door," schijnt mij constitutioneel onmogelijk.

De motie treft rechtstreeks de uitvoering van eene verordening van

Sluiten