Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

don Gouverneur-Generaal, ieder oogenblik van de macht des Konin^s af hankelijk, en dus iets dat geheel en al op het gebied van de uitvoerende macht ligt. Kunnen wij daarin treden, daar tusschen komen ?

De motie schijnt mij in de tweede plaats niet doeltreffend; zij kan niet bereiken hetgeen de heer van Heukelom wil en hetgeen ook ik wensch. Ik geloof toch dat ik niet zal worden tegengesproken, wanneer ik beweer dat het ondenkbaar is dat eenig Minister aan die motie gevolg geve.

Mijne derde reden: wij kunnen afkeuren, dat de Minister meende een Koninklijk bevel tot schorsing te moeten uitlokken, maar zouden wij een afkeurend besluit zonder onrechtvaardigheid jegens den minister kunnen nemen? Wij kunnen gelooven da?de Minfster geene schorsing behoefde; dat de zaak genoegzaam onderzocht en klaar is, en de maatregel rijp om van den eersten Januari 1867 af ten uitvoer te worden gelegd; maar indien de Minister zegt: „voor mij is de zaak niet genoeg geïnstrueerd," kunnen wij (fan verklaren: „neen, gij hebt geen onderzoek meer noodig?"

Stel, er is hier te lande een Koninklijk besluit genomen tot regeling van deze of gene aangelegenheid. Dat besluit is in werking ot nog niet in werking. In het laatste geval zal het op een bepaalden tijd in werking komen. De Minister, in overweging van deze of gene omstandigheid die zich voordeed, van de noodzakelijkheid, om de waarschijnlijke werking van het besluit nog nader te onderzoeken, of om eene andere reden, stelt aan den Koning voor de uitvoering te schorsen. Zullen wij aan den Minister zeggen: „neen, onverwijlde uitvoering"? En daar zou het eene aangelegenheid hier te lande gelden, die wij eer kunnen overzien dan een Indischen toestand. Hebben wij hier te doen met eene wet, waartoe wij zeiven hebben medegewerkt? Neen, wij hebben in de beide gevallen ^te doen met een besluit binnen den kring der uitvoerende macht, die aan den Koning is opgedragen.

Het onrecht, dat wij zouden plegen wanneer wij aan den Minister, onverschillig ot wij hem vertrouwen dan niet, wilden beletten uitstel te nemen, is in mijn oog zoo groot, dat ik, die langer op deze banken dan aan gindsche tafel zat, vrijmoedig moet verklaren: van den dag af, waarop zoo iets zou kunnen gebeuren, ware het met de zelfstandigheid van het Bestuur gedaan.

Ziedaar waarom ik mij niet vereenigen kan met de motie van den heer van Heukelom, schoon ik het beginsel wil. Vindt de heer van Heukelom of ae Kamer goed, die motie eene wijziging te doen ondergaan waardoor die bezwaren vervallen, dan ben ik volkomen bereid, daaraan mijne stem te geven en mijne motie, zoo de heer van Swieten voor het oogenblik op de zijne niet blijft staan, geheel in te trekken.

De vier motiën werden achtereenvolgens (die van den heer Th. met 47 tegen 20 stemmen) afgekeurd.

Sluiten