Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

tot ontbinding van de tweede kamer te willen besluiten, was de aanneming van de motie-Keuchenius, over de uittreding van minister Mijer uit het kabinet, eene incon.stitutioneele daad genoemd. Bij de schriftelijke behandeling der staatsbegrooting had de regeering dezelfde stelling verdedigd. In het mondeling debat had de irinister van justitie haar voor zijne rekening genomen. Op welke gronden? De bedoeling der motie, meende de regeering, was niet alleen geweest, de aftreding van den heer Mijer te critiseeren, doch tevens over zijne benoeming tot gouverneur-generaal van nederlandschIndie een afkeurend oordeel uit te spreken. Daarmede was inbreuk gemaakt op het praerogatief van de kroon. Want de volksvertegenwoordiging miste het recht, over eene benoeming door den koning, uit kracht van zijne grondwettige bevoegdheid gedaan, een afkeurend oordeel uit te spreken, ewaarvan het gevolg zou moeten zijn, dat de gedane benoeming wierd ingetrokken."

Kort voor de verkiezingen was van regeeringswege, door tusschenkomst van de gemeentebesturen, eene proclamatie des konings aan de kiezers toegezonden.

Hetgeen mij anders, Mijnheer de President, overeenkomstig eene natuurlijke neiging, zou bewegen te zwijgen, dat namelijk reeds zoo velen gesproken hebben, verplicht mij nu, oud soldaat voor de rechten der Kamer en voor die des Gouvernements, mijne meening te verklaren.

Geene rede, geene discussie, een kort advies.

Niet omtrent de doodverklaring der liberalen, gisteren door den heer de Brauw uitgesproken; eene rede die ik tot mijn leedwezen niet heb bijgewoond. Eene doodverklaring der liberalen, terwijl onze Grondwet, onze rechten, onze instellingen, onze ontwikkeling alle van liberalen oorsprong zijn. Ik betreur ook daarom dat ik niet tegenwoordig was, daar ik alzoo het genoegen gemist heb, dat men, in bezit van redelijke levenskracht, bij het aanhooren van dergelijk vonnis ondervindt.

Het thema, waartoe ik mij bepaal, is vervat in de eerste bladzijden der Memorie van Beantwoording, en in mijne aanteekening, hier voor mij, van de rede van den Minister van Justitie van eergisteren.

„Over elk recht, zeide de Minister, kan verschillend worden gedacht." Een scepticisme, Mijnheer de President, minder bedenkelijk op de lippen van een advokaat dan in den mond van een Minister van Justitie. „Over elk recht kan verschillend worden gedacht." Het gaat met een recht als met het licht, dat men, wanneer men daarmede verlegen is, op velerlei wijze tracht te verduisteren.

In tweeërlei opzicht, èn wat de bevoegdheid der Kamer èn wat de verkiezingen betreft, heeft het Ministerie gezag in de plaats van grondwettige vrijheden gesteld.

Gy stelt gezag in de plaats eener grondwettige vrijheid, wanneer ge het oordeel der Vertegenwoordiging weert door beroep op een praerogatief des Konings.

Benoeming van ambtenaren, als daad des Konings, is onaantastbaar ; niet als ministerieele daad, hetgeen zij altijd te gelijk is.

2*

Sluiten