Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Ook ten aanzien van deze zal de Vertegenwoordiging steeds eene zekere reserve in acht nemen; en terecht zal een Ministerie, desnoods, haar de noodzakelijkheid, om die reserve te betrachten, herinneren. Doch geheel iets anders is het, eene benoeming door het praerogatief der Kroon te willen dekken. Die dat doet, tracht de ministerieele verantwoordelijkheid door autokratie te verdringen.

liet Ministerie bestrijdt een besluit der Vertegenwoordiging, dat regeeringsdaden beoordeelt, met het beweren dat „daarvan het gevolg moet zijn, dat eene daad der uitvoerende macht, op wettige wijze en binnen de grenzen van hare bevoegdheid volbracht, ongedaan worde gemaakt."

Is dat wel iets anders dan verwarring van begrip? Is een afkeurend oordeel over eene regeeringsdaad een bevel? In het minst niet; de Kamer heeft in dit opzicht niet te bevelen, en er wordt niets ongedaan gemaakt, zóó min, dat een Minister, die zulk een oordeel opvatte als een casseerend vonnis, en zich verplicht rekende daaraan gevolg te geven, de grondwettige zelfstandigheid van het Gouvernement zou miskennen.

Het Ministerie roept het voorbeeld van vroegere Ministerien in. Indien deze gedaan hebben hetgeen gij deedt, dan hebben zij zeer verkeerd gehandeld. Ik herinner mij echter slechts, dat in de Kamers somwijlen sprake is geweest van besluiten tot ontslag, en dat toen is geantwoord: zoo de Kamer ontslag van ambtenaren in den kring harer gewone dagelij ksche kritiek trekt, kan zij bedoelen aan den Minister ambtenaren op te dringen die hem niet dienen, en alzoo de ministerieele verantwoordelijkheid te vernietigen?

Het gebruik dat van de Koninklijke proclamatie is gemaakt. Daardoor hebt gij de eerste der volksvrijheden, de vrijheid deiverkiezingen, zooveel van u afhing, beperkt. Gij hebt ook daarbij gezag in de plaats van vrijheid gesteld. Gij noemt in uwe circulaire, hetgeen volgens u door den Koning gewenscht wordt, „een raad des Konings". Een Koninklijke raad is, ook zonder uitdrukkelijk bevel, gezag.

Men heeft in deze discussie zoo dikwerf van doel en bedoeling gewaagd, dat ik het woord niet bezigen zal; maar de uitwerking moest onvermijdelijk zijn, dat de vraag wierd gesteld „zijt gij voor of zijt gij tegen den Koning?" Eene anti-Nederlandsche, trouwelooze vraag. Zoo gij onderstelt, dat niet allen voor u zijn, kunt gij gelijk hebben; maar de vraag op te werpen of zelfs van verre aanleiding te geven dat zij opgeworpen worde ten aanzien van den Koning, is niet de handeling van een goed burger, noch van een goed Gouvernement.

6 Maart. Hoofdstuk VIT C (administratie voor de zaken der hervormde en andere eerediensten) der staatsbegrooting. Algemeene beraadslaging.

Kerkelijke vrijheid.

Sluiten