Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Met genoegen las ik op bladz. 1 der Memorie van Beantwoording: „Eene volkomen autonomie van al de kerkgenootschappen, gelijk zij bij sommige reeds bestaat, is de toestand welken de Kegeering wenschelijk en overeenkomstig beide met de letter en den geest der Grondwet acht."

Dat genoegen is echter bij het lezen van de twee volgende bladzijden in teleurstelling veranderd. Het betoog toch, dat ik daar vind, strekt om een waas, een nevel te verspreiden, waarachter de kerkelijke vrijheid wordt verborgen.

Ik zal dat betoog niet in alle deelen volgen, maar drie hoofdpunten aanstippen.

Op bladz. 2 zegt de Minister: „Ook wil de Kegeering haren afkeer niet ontveinzen van eene scheiding, welke op den Staat den stempel zou drukken van godsdienstloosheid of godloochening. Laat de Kerk zich vrij bewegen in den vrijen Staat, desniettemin heeft de Kegeering den godsdienst te eerbiedigen als den hechtsten steun der Staten."

Is dat de vraag ? Is het niet eene verwarring van gedachte met het onderwerp, hier ter sprake? De Regeering heeft zonder eenigen twijfel, gelijk elke Kegeering, den godsdienst te eerbiedigen; maar wij spreken hier niet van den godsdienst, niet van ,,de" of „eene" Kerk, maar van kerkgenootschappen; en het zijn alleen kerkgenootschappen welke de Grondwet kent. En zoo het op eerbiediging aankomt hetzij van den godsdienst, hetzij van „de" Kerk, hetzij van de kerkgenootschappen, hoe eerbiedigt men beter dan door erkenning van volkomen vrijheid?

Op dezelfde bladzijde beroept de Kegeering zich, voor zeker recht over de kerkgenootschappen uit te oefenen, op een Keizerlijk decreet van 1(5 Juli 1810. Zij vindt in dat decreet, volgens haar kracht van wet hebbende, den wettelijken grond voor de verbindende kracht van de Koninklijke besluiten van 1(3 Augustus 1824 en 28 Augustus 1843.

Vooreerst het Besluit van 1824. Ik was in de vaste overtuiging, dat daarvan geen spraak meer kon zijn dan, wat enkele ondergeschikte voorschriften betreft, in een geval hetwelk buiten het Besluit ligt, wanneer bij bouw of herstel eener kerk een subsidie van den Staat gevraagd en verkregen is. Ik zal het Besluit niet voorlezen, maar herinner alleen twee algemeene beginselen, daarin vastgesteld. Art. 1 zegt: „Alle kerkbesturen en kerkelijke administratien zullen zich zorgvuldiglijk wachten, van eenige bestellingen" — een woord kennelijk vertaald uit het Fransch, waar het heet, mesures — „of beschikkingen te maken omtrent onderwerpen, waarvan de bezorging hun niet uitdrukkelijk bij de bestaande wetten, reglementen, orders of instructien is opgedragen." Ik was overtuigd, Mijnheer de President, dat sedert 1848 het omgekeerde bij ons°waar en rechtens is. De kerkbesturen hebben al de rechten die hun niet ontnomen zijn, niet enkel die, welke hun bij verordeningen van het wereldlijk gezag zijn toegekend.

Sluiten