Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Instandbrenging van eene actieve zeemacht. Buitenliniën.

Wettelijke regeling van de legerorganisatie; van liet fortilicatiesysteem; en van de hoofdtrekken van den opbouw der marine.

Artikel 178 der grondwet.

Twee geëerde sprekers, de heeren de Roo en Wintgens, hebben hunne redevoeringen begonnen met aanhaling van een woord, geschreven in 1839, in het midden dus tusschen de bewegingen van 1830 en die van 1848, anarchieke bewegingen, Mijnheer de President, uit disharmonie tusschen orde en vrijheid ontsproten, uit gebrek aan zoodanige organisatie waarin de aanwezige krachten zich naar eisch konden ontwikkelen. Toen had men te voorzien in een moreel gevaar, en daartegen werd moreele verdediging ingeroepen.

Nu is het gevaar van anderen aard.

Ik neem drie punten. Vooreerst vorige Ministers en vorige Kamers; ten andere den tegenwoordigen toestand; ten laatste de eischen uit den nieuwen toestand afgeleid of af te leiden.

I. Vorige Ministers en vorige Kamers. Ik breng hulde aan de loyale waardeering die wij van de tegenwoordige Ministers vernamen ten aanzien van de handelingen hunner voorgangers, ook mannen van hart en ijver voor de verdediging van het land. Hebben vorige Ministers en vorige Kamers — zooals sommige leden der Kamer schijnen te meenen — de belangen der verdediging niet naar eisch behartigd? Wie daaraan twijfelt, bedenkt die wel het verschil van toestand?

In het algemeen zal men mogen vragen, of bij de Vertegenwoordiging van eene natie als de onze, gewijd aan de bedrijven en kunsten van den vrede, aan landbouw, nijverheid en handel, te allen tijde, onder welke omstandigheden ook, groote offers, aan de defensie te brengen, bijzonder populair kunnen zijn. Doch die vraag daargelaten, in welken toestand bevond men zich vóór dien van heden ?

In een toestand waarin ontwapening, dat is terugkeer tot een redelijken voet van vrede, door elkeen, groote en kleine mogendheid, voorzien en begeerd werd. Waaraan heeft men voorts bij ons, in de Kamer getwijfeld? Niet aan de noodzakelijkheid om te doen wat noodzakelijk was, maar men twijfelde, of hetgeen gevraagd en toegestaan werd, naar behooren wierd besteed, of met hetgeen werd toegestaan, niet méér, dan geschiedde, kon worden gedaan.

Voorts, wanneer is eene gevraagde verhooging geweigerd? Zelfs dan wanneer het doel, waartoe zij werd gevraagd, op verre na niet zoo duidelijk, als tegenwoordig, in het oog sprong.

Ik ben in de gelegenheid geweest — ik geloof het was in 1859, toen over de gestadige afwisseling, organisatie, reorganisatie, desorganisatie wellicht, van het Departement en van de middelen van Oorlog werd geklaagd, — aan te toonen dat zeer zeker de Kamer de schuld daarvan niet droeg. Men vroeg soms meer geld. Was het kwalijk te nemen, dat de Kamer volledigen uitleg van de besteding, van hetgeen daarmede uitgericht was, verlangde?

Sluiten