Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Ook deze opmerking nog.

Ware er vroeger in de toenmalige richting meer uitgegeven, zou liet niet bij de tegenwoordige eischen blijken nutteloos uitgegeven te zijn V

II. De tegenwoordige, de nieuwe toestand.

Wij zijn in een nieuwen toestand; niet zoo zeer omdat anderen zich wapenen; zoodanig verschijnsel hebben wij meer dan eens beleefd. En of, omdat anderen zich wapenen, iedere kleine Staat als de onze dat voorbeeld moet volgen, schijnt mij meer dan twijfelachtig.

Maar wij zijn in een nieuwen toestand, vooreerst omdat de oorlogsmiddelen, die tot dusverre voldoende werden gerekend, blijken dit niet meer te zijn, op eene wijze die iedereen, die ook de meest militaire mogendheid heeft verrast.

Wij zijn in buitengewone omstandigheden.

Ik herinner mij dat in 1854 mijne stem en mijne ondersteuning niet ontbroken heeft aan eene aanvraag tot eene nog al aanzienlijke verhooging van de begrooting van Oorlog van wege buitengewone omstandigheden, die ik onderstelde, schoon ze mij evenmin als aan de meerderheid der Kamer zeer duidelijk waren. Doch dat wij thans in buitengewone omstandigheden vorkeeren, moet sedert den Deenschen oorlog, sedert den zomer van verleden jaar, aan ieder volkomen duidelijk zijn geworden. Ik zie geen bijzonder dreigend gevaar voor ons, maar een algemeen gevaar, waarin wij met zoo menigen anderen Staat gezamenlijk verkeeren. Toen het in de laatste jaren, toen het uit de feiten, die met den oorlog tegen Denemarken begonnen zijn, bleek, dat de gevestigde rechtsbetrekkingen niet meer werden geteld, toen eene verrassende lijdzaamheid en onthouding bleek, daar waar niemand die kon verwachten, toen was het klaar, dat wij niet met een voorbijgaand incident te doen hadden, maar met eene algemeene crisis, evenmin aan de ontwikkeling van constitutioneele vrijheid als aan de zelfstandigheid van onderscheidene Staten bevorderlijk; met een algemeen streven naar militaire grootheid, dat op onderdrukking van de minder machtige moet uitkomen. Wanneer men mij de vraag doet, waarop nu nog te rekenen, tenzij op combinatiën die zoo onzeker zijn als het weer, ik weet geen antwoord te geven.

Indien ik mij eene vergelijking mag veroorloven, dan zijn wij als in den toestand van een Staat, waarin de wetten niet meer worden geëerbiedigd en de kracht, om die te handhaven, faalt. In zoodanigen Staat dient ieder tegen ieder op zijne hoede te zijn.

III. Welke zijn nu de eischen, uit dien nieuwen toestand voortvloeiende ?

De eischen, die het Gouvernement aan ons doet, en die wij wellicht te doen hebben aan het Gouvernement.

De eischen, die het Gouvernement aan ons doet. Ik onderscheide die, welke voor dit jaar en die voor het vervolg gedaan worden. De eischen des Gouvernements, en ik prijs dat, zijn niet die van voorziening tegen een dreigenden aanval, maar berusten, in de gedachte der Ilegeering, op blijvende grondslagen.

Sluiten