Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Van mijne zijde heeft liet Gouvernement geene discussie te wachten over zoo menige bijzonderheid, niet over de soort van schepen, niet over ijzer of hout, pantsering, kanonnen en bewapening, niet over de wenschelijkheid om hier of daar in eene linie een fort te bouwen. Wanneer het Gouvernement mij zegt ten aanzien van zulke punten: „dat is noodzakelijk," en ik hoor geene tegenspraak op afdoende gronden, ik zal toestaan hetgeen gevraagd wordt; maar ten aanzien van sommige hoofdzaken maak ik eenige reserves.

Vooreerst ten opzichte van eene actieve zeemacht. Tot dusver kan ik niet besluiten in maatregelen te treden, die tot opbouw eener actieve zeemacht kunnen leiden; en ik zie met verlangen de ophelderingen te gemoet, die wij ook na zijne laatste rede van den Minister van Marine behoeven. De Minister zeide daarin vooreerst: „De aangevraagde gelden voor den aanbouw van drie monitors en drie stoomrammen kunnen geene aanleiding geven tot het vermoeden dat de Regeering eene vloot wenscht in het leven te roepen om te wedijveren met die van groote mogendheden." Ik geloof het gaarne: doch het afzien van wedijver met groote zeemogendheden sluit het in stand brengen van eene actieve zeemacht nog niet uit. Voorts wordt gezegd: „dat wij eene actieve zeemacht in stand wenschten te houden, geloof ik reeds vroeger voldoende te hebben wederlegd." Die wederlegging zie ik niet en zoek ik nog. Mij toch komt het voor dat na de Memorie van Toelichting, waarin van eene actieve zeemacht geen spoor of schijn te vinden is, de Memorie van Beantwoording wel degelijk eene actieve zeemacht op den voorgrond plaatst.

Eene tweede bedenking betreft de instandhouding of instandbrenging van de zoogenaamde buitenliniën. De Minister van Oorlog heeft — hetgeen eigen beweging of eigen gedachte niet buitensluit — gehoor gegeven aan den algemeenen aandrang, ontstaan sedert den oorlog tegen Denemarken. De vestingen van het zuidelijk frontier, de zoogenaamde nuttelooze, ja schadelijke vestingen, zullen vervallen. Maar dan blijft er buiten den kring van eene streng geconcentreerde defensie nog veel overig, en ten aanzien daarvan moet ik mij vooralsnog eene sterke reserve veroorloven. Wanneer mij niet betoogd wordt dat tot behoud van het centrum het in stand brengen en houden van buitenliniën noodig is, dan zal ik mij kanten tegen al hetgeen daartoe kan leiden. Ik geef niet toe in de betichting van oneer, die ik gisteren, de zaal binnentredende, den geachten afgevaardigde uit Steenwijk hoorde uiten, wanneer men een gedeelte van het land buiten defensie zou willen laten. Mij dunkt, wij moeten verdedigen wat wij kunnen verdedigen en dat moeten wij tot het laatste toe verdedigen. Ik kan niet toegeven dat wij het te versterken terrein behooren uit te breiden, enkel om den vijand op te houden, tenzij dit om van de kern onzer defensieve stelling meester te kunnen blijven noodzakelijk zij.

Eene derde reserve: zij betreft wettelijke regeling. Ik spreek

Sluiten