Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Grondwet wettelijke organisatie der militie gebiedt. Daarop maakte ik reeds vóór jaren aandachtig, en' de stelling schijnt mij ook nu nog — de tegensprekers mogen het niet kwalijk nemen — voor tegenspraak niet vatbaar. Het artikel zegt, dat de inrichting der militie, gelijk die der schutterijen, wordt geregeld door de wet. Yan de miliciens, van de wijze waarop zij zullen worden verkregen, wordt in vorige artikelen gesproken; het laatste artikel schrijft voor dat de inrichting der militie als gewapend corps geregeld worde bij de wet.

Welke is nu de stap dien wij te doen hebben tusschen die rechtstreeks door de Grondwet bevolen wettelijke organisatie en hetgeen zij vragen, die eene wettelijke legerorganisatie voorstaan ?

De pas is, dunkt mij, niet groot. Waaruit bestaat tegenwoordig ons leger? Uit militie en een klein getal aangeworven vrijwilligers; en nu is maar de vraag of hetgeen de Grondwet eischt ten aanzien van de militie op zich zelve, op de militie met die eenige duizenden vrijwilligers zal worden toegepast.

Mag ik mij eene vraag veroorloven ten aanzien van eene wereld, waarin ik onbekend ben, daar de burger alleen van tijd tot tijd met hare buitenzijde in aanraking komt? Zou het op het moreel van de armee niet een heilzamen invloed hebben, wanneer de organisatie vaststond, en daarin niet onverwachts, als bij nacht en nevel, door nieuwe verordeningen, of ook door parlementaire amendementen bij de jaarlijksche begrooting, kon gegrepen worden?

Hier beroep ik mij op de amendementen die voor ons liggen, op die van de heeren Stieltjes en de Roo, vooral op die van den eerste ten aanzien van de infanterie, cavalerie, artillerie en genie.

Ik veroordeel die amendementen niet; in den tegenwoordigen stand der zaak zal ik hooren wat daar voor en tegen gezegd wordt, en zoo geene beslissende redenen daartegen aangevoerd worden, zal ik voor de amendementen stemmen. Maar is zulk resultaat wenschelijk voor de armee? Is het raadzaam en bemoedigend, dat dergelijke veranderingen jaarlijks, en wel onvoorbereid, kunnen gemaakt worden?

Mij dunkt er is niets anders noodig om aan te toonen, dat het belang van de armee een vast stelsel vordert.

Dit is evenwel voor het oogenblik geene reden om mij de aanhangige begrooting onaannemelijk te doen voorkomen. Ik zeide dit reeds bij de algemeene discussie, en de Minister van Oorlog heeft mij verplicht door de toezegging, dat hij, in beginsel nog niet voor regeling bij de wet, evenwel het onderwerp in gezette overweging wil nemen. Het is ook een punt dat wel gezet overwogen mag worden, en daarvoor dient aan den Minister tijd te worden gelaten.

Een tweede punt, waarop ik mij bij den heer van Goltstein aansluit, met te meer genoegen daar het zeldzaam gebeurt dat die geachte afgevaardigde zich bij mij aansluit, en ook bij den geachten spreker, die laatstelijk liet woord voerde, en die, naar

3'

Sluiten