Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

het kon te zorgen, dat men elders den toestand inzag en waardeerde gelijk die bestond, namelijk dat Luxemburg ons zoo vreemd was als eeltige vreemde Staat.

Wij ondervonden ook toen, dat onze Duitsche buren, in wetenschap en kunst wellicht het eerste volle der wereld, zich somtijds in de politieke geographie vergissen; eene vergissing te lichter gepleegd, wanneer uien over verzetting van grenzen licht denkt.

Hoe het zij, nu is er oneindig meer reden dan in 1858 0111 te waarschuwen tegen eene verwarring, die soms achteloos, soms met opzet wordt gepleegd. Het is thans meer dan tijd 0111 in het openbaar te constateeren dat Nederland in de lotsbestemming van Luxemburg, welke die ook zij, op geenerlei wijze betrokken is; dat wij daarbij geen belang hebben; dat wij van onderhandelingen daarover niets weten en niets willen weten.

Luxemburg, Mijnheer de President, is niet nu voor het eerst een twistappel: Luxemburg, een oud Duitsch land, dat ook tijdelijk aan Frankrijk behoorde, is een uiterst gevoelig punt, tusschen Duitschland, Frankrijk en Belgie; een land, waarvan het lot aan geene der Mogendheden onverschillig kan zijn; een punt, waarop patriotismus, besef van nationaliteit, en politieke, wellicht militaire berekeningen zich ontmoeten.

Doch voor ons, voor Nederland, is dat punt niet gevoelig; wij hebben daarbij, zooveel ik zien kan, geen belang. Wat ons echter wèl aangaat, hetgeen waarbij wij zeer groot belang hebben, is, dat onze betrekkingen naar buiten niet lijden bij wat ook met Luxemburg gebeure; dat men ons niet in conflicten uit dien hoofde brenge; dat men geenerlei reden hebbe om de min vriendelijke, min welwillende, soms verbolgen stemming, welke deze of gene beschikking over Luxemburg bij volken of Regeerir.gen kan doen ontstaan, tegen ons te keeren; dat men daarin geene aanleiding noch voorwendsel vinde om ons vijandig te zijn.

Niet vreezen, geene antipathie, aan welke zijde ook, ontzien, waar wij geroepen zijn onze rechten en belangen te doen gelden; maar wel waakzaamheid om niet in onjuiste verdenking te komen, 0111 ons niet te laten trekken in gebeurtenissen, waaraan wij geen deel hoegenaamd moeten hebben, waakzaamheid 0111 niet impopulair te worden van wege beschikkingen, waaraan wij te eenen male vreemd zijn.

Dat het de plicht der Regeering is, Nederland hiertegen zooveel mogelijk te behoeden, gevoelt ieder.

In* dat gevoel ben ik gestuit op de zinsnede in het antwoord van den Pruisischen Minister von Bismarck, die ik in de vorige zitting voorlas.

Graaf von Bismarck was in de Vergadering van den Duitsclien Rijksdag geïnterpelleerd over de betrekking van Luxemburg tot Duitschland en over de lotsbestemming die dat gewest te wachten had. De Minister antwoordde, dat de Pruisische Regeering tot dusver van die quaestie niet officieel kennis had behoeven te nemen

Sluiten