Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

dan ten gevolge van twee feiten. Ik spreek niet v.in het eerste feit. „De tweede aanleiding was," — zegt graaf von Bismarck, — „dat de Nederlandsche Regeering door haren gezant alhier aan ons hare goede diensten aanbood ten behoeve der door haar veronderstelde onderhandelingen van Pruisen met Frankrijk over het Groothertogdom Luxemburg."

Alvorens ik aan den Minister de vraag onderwerp, waarop hij zal gelieven te antwoorden, vestig ik de aandacht der Vergadering op hetgeen in de rede van den heer von Bismarck volgt: „Wij hebben besloten daarop te antwoorden, dat wij niet in het geval waren om van deze goede diensten gebruik te maken, dewijl onderhandelingen van dien aard niet bestonden."

Mijnheer de President, welke zonderlinge rol wordt hier aan onze diplomatie toegeschreven? Wij zouden onze goede diensten aangeboden hebben in onderhandelingen, die niet bestaan?

Ik ontleen ook daaruit bevestiging van het vermoeden, dat het antwoord, hetgeen ik van den Minister hoop te ontvangen, zal zijn gelijk ik en gelijk ieder het zal wensclien en verwachten te hooren.

Mijne vraag is deze:

Hetgeen graaf von Bismarck zegt,

„dat de Nederlandsche Regeering door haren gezant alhier ons hare goede diensten aanbood ten behoeve der door haar veronderstelde onderhandelingen van Pruisen met Frankrijk over het Groothertogdom Luxemburg," berust dat op iets anders dan op misverstand?

De minister van buitenlandsche zaken toonde zich eenigszins geraakt. Hij had de interpellatie, nu de kamer haren tijd zoo noodig had, niet verwacht. Toch was zij hem, naar hij zeide, aangenaam, omdat hem daardoor de gelegenheid geboden werd, „een voor ons vreemd vorst, die dan toch ook nederlandsch vorst en koning is, te verdedigen tegen aantijgingen, die geheel in strijd waren met de waarheid en die het hart van ieder nederlander, die het wel met vorst en vaderland meende, gevoelig hadden aangedaan."

Omtrent de handelwijs der regeering deed de minister uitvoerige, doch niet zeer heldere mededeelingen. De verklaring van den minister von Bismarck berustte niet op misverstand. Er was bemiddeling aangeboden — doch voor onderhandelingen, die in de toekomst geopend zouden kunnen worden, niet voor onderhandelingen die reeds geopend waren. Waarom was die weg bewandeld? Omdat, verklaarde de minister, rjuist in het feit, dat men zich als bemiddelaar voordoet, van zelf ligt opgesloten dat men geen partij is." Het doel was dan ook door het weigerend antwoord der pruisische regeering volkomen bereikt: de nederlandsche regeering was van alle verantwoordelijkheid ontheven, en de pruisische regeering had in eene officieele nota erkend, dat, als er ooit sprake mocht zijn van onderhandelingen over Luxemburg, de zaak uitsluitend het groothertogdom zoude aangaan.

Inderdaad, erkende de minister, was dan ook en nederlandsch belang bij Luxemburg in het geheel niet betrokken — mits slechts de toestand van Limburg volkomen geregeld ware. Welnu, van de

Sluiten