Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Welk was tot dusver en van den beginne af in aanleg en hoofdtrekken ons stelsel? Dat hetgeen nagevolgd is bij de Engelsclie wet van Februari 1866; de wet door wier uitvoering eene merkwaardige zege op de ziekte is behaald.

Ik kan, wanneer ik ons stelsel omschrijven wil, niet beter doen dan uit de vertaling in de Staatscourant van 16 Februari 1866 de gronden mede te deelen, waarop de Engelsche minister, bij het inbrengen van de bill in het Lagerhuis, zijne voordracht bouwde. „Het beginsel, zeide de Minister, is dat wij bij de wet zekere algemeene regelen dienen te maken, toepasselijk voor het gansche land, en waarvan geene plaatselijke overheid zal mogen afwijken; dat wij vervolgens van den dienst der plaatselijke overheden in den lande gebruik moeten maken om die regelen en de nader door het Gouvernement te maken verordeningen in toepassing te brengen; en eindelijk, ten derde, dat wij aan de plaatselijke overheden vrijheid moeten geven om overeenkomstig onze algemeene verordeningen zekere punten te regelen naar den eisch van de wisselende omstandigheden in de verschillende deelen des lands, welke aan het Gouvernement niet zoo goed bekend zijn, noch ooit kunnen bekend zijn, als aan de plaatselijke overheden; immers willen wij de plaag met goed gevolg bestrijden, dan behoeven wij de ijverige, hartelijke en oordeelkundige medewerking van de plaatselijke overheden in het koninkrijk."

Dat was ons stelsel van 1865. Daarvan is men bij ons langzamerhand in zooverre afgeweken als men minder heeft gerekend op medewerking van de belanghebbenden en plaatselijke autoriteiten, en meer heeft laten aankomen op het centraal gezag. Ik zeg dit zonder kritiek: ik vernielde het als een historisch feit, dat wel verklaarbaar is, dewijl men bij belanghebbenden en plaatselijke autoriteiten de ijverige tegemoetkoming niet ondervond die men mocht verwachten. Naar mate dien ten gevolge het centraal

O O

gezag meer deed, deden allengs de belanghebbenden, de plaatselijke autoriteiten nog minder; het een werkte op het ander terug.

Het is zeer waar wat ik in eene brochure van den heer Snellen, mij gisteren ter hand gekomen, las; sprekende van verwijten, aan de Regeering gedaan, zegt de schrijver; „Neen, die bewering is niet in allen deele juist. De ware schuldige is eigenlijk niet de Nederlandsche Regeering, maar wel het Nederlandsche volk, of liever een gedeelte er van."

Doch wat nu?

Indien de Minister ons zegt: „ik verlang de sedert den herfst door mij gestaakte afmaking binnen de afsluitingslijn op het rechte tijdstip bij een dalend ziekencijfer te hervatten, op gelijken voet als afmaking tot dusverre buiten de lijn werd en wordt gepraktizeerd: ik behoef daartoe echter meer geld, voor buitengewone ambtenaren, voor onteigening, voor desinfectie van liegeeringswege," indien de Minister dat zegt, dan zal ik met hem medegaan.

Sluiten