Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

voordracht der Ministers, die van gisteren, stond. Ik moet hierbij aanmerken, dat deze Regeering reeds in hare vroegere voordracht, bij het noemen der personen, tusschen wie het overleg moet worden gepleegd, de natuurlijke orde had omgekeerd. Zooals blijkt uit het artikel, dat de Minister heeft voorgelezen, wil de tegenwoordige wet, die van 1827, voordracht of' aanbeveling van burgemeester en wethouders in overleg met den commandant; en dit las men ook in het ontwerp van het vorig Ministerie. Daarvoor hebben de tegenwoordige Ministers eene aanbeveling van den commandant in overleg met burgemeester en wethouders geplaatst. De omzetting behaagde mij weinig; ik vond daarin eene achterstelling der plaatselijke overheid, wier betrekking tot de schutterij van zoo groot belang is. Doch ik ging dat, gelijk over het algemeen al wat als eene kleinigheid zou kunnen aangezien worden, voorbij: daar toch het overleg, dat de aanbeveling moet voorafgaan, aan dezelfde autoriteiten opgedragen bleef.

Doch de zaak wordt ernstiger, wanneer men nu ook in overleg door na overleg ziet vervangen. Dan moet ik het er voor houden, dat overleg op eene loutere formaliteit uitkomen zal. Van eenstemmigheid kan hier geene sprake zijn. Wie zal die aan commandant en burgemeester en wethouders, gelijk aan eene Engelsche jury, denken op te leggen? Is er geene eenstemmigheid, dan zal dit in het rapport blijken, zooals ik reeds in mijne eerste rede aanmerkte. Maar het komt er wel degelijk op aan, dat het eene gemeenschappelijke aanbeveling zij van commandant met burgemeester en wethouders, en dat karakter gaat bij de verandering van dezen morgen verloren.

De Minister zal, denk ik, hierover niet veel willen twisten, en de zaak liever laten gelijk ze was. Van mijne zijde hecht ik daaraan veel, en ieder moet, dunkt mij, daaraan hechten, die nagaat, dat de uitvoering opgedragen is aan den commandant, die, ,.overleg" met burgemeester en wethouders niet zeer ter harte nemende, zich vergenoegt burgemeester en wethouders voor den vorm te hooren.

liet tweede punt: het ontslag. Ik vroeg aan de Regeering, of zij, na de zaak nog eens te hebben overwogen, het in het algemeen belang keurde dat het recht van den Koning om te ontslaan beperkt worde. De Minister van Binnenlandsche Zaken antwoordt mij: „gij zijt plus royaliste que ln lioi." Inderdaad, dat ben ik, dat ben ik altijd geweest en dat zal ik altijd zijn, waar het mij voorkomt, dat men Gouvernementsrechten, die gaaf moeten blijven, zonder genoegzame reden tracht te beperken. En in dit geval heb ik de eer, de beide Ministers tot nu onlangs als mijne bondgenooten te kunnen beschouwen. In de vorige voordracht toch van ditzelfde Ministerie is er van geene bepaling der redenen van ontslag sprake. Dus zijn zij royalistes, niet minder dan ik, geweest, schoon sedert daarvan afgeweken.

Volgens den Minister is de tegenwoordige voordracht „liberaler"

Sluiten