Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

anders behoeft te doen dan een aanvang met ontginning te maken, en dat hij in die handeling en zijn recht van het bezit moet worden geëerbiedigd.

Het eenige, of althans het voornaamste wat dan voor die ordonnantie overblijft, is, zooals ik gisteren de eer had te zeggen, te bepalen waarin ontginning bestaat, hoe het feit te onderscheiden of eene ontginning werkelijk zij aangevangen. Het is toch niet genoeg dat men ergens op eene woeste plaats een hut liebbe opgeslagen, om gezegd te kunnen worden met ontginning der streek een aanvang te hebben gemaakt. Het komt mij dus juist voor, dat de ordonnantie omschrijve welke uitoefening aan het recht van ontginning moet gegeven zijn, om als zoodanig te kunnen worden erkend. Daar echter, waar het recht uitgeoefend is, stuit men op het recht van den inlander, en houdt het recht om den grond uit te geven op.

In die opvatting van de zaak zou ik ook alleszins in het gevoelen van den vorigen spreker, den heer van Beyraa thoe Kingma, deelen, dat het vóór het in werking treden der wet behoort bepaald te zijn, hoe een aanvang van ontginning geconstateerd wordt, opdat de grens, waar het recht van het Gouvernement om uit te geven ophoudt, vooraf kenbaar zij.

Het recht van ontginning, individueel of, bij vereeniging, door eene uitzwermende dessabevolking in praktijk gebracht, is het recht om den grond door ontginning in bezit te nemen. Voorafgaand verlof, door den inlander individueel of troepsgewijze aan de Europeesche autoriteit te vragen, zal het recht verijdelen, en strookt ook met het onvoorwaardelijk karakter van het recht niet.

Het komt er dus eenvoudig op aan te weten, en dat zal dooide ordonnantie worden uitgemaakt, welke handeling als ontginning kunne worden aangemerkt, te dien effecte dat over den grond tot uitgifte niet zal kunnen worden beschikt.

Om dat uit te drukken gaf ik gisteren aan den Minister en aan de Vergadering in bedenking, of niet in den geest der wet zelve alinea b zou behooren-gelezen te worden: „gronden waarop het recht der inlanders tot ontginning volgens art. 4," dat wil zeggen volgens hetgeen de ordonnantie, daar genoemd, als kenmerk van ontginning zal opgeven.

„c. gemeene weidegronden." Dessagrond moet gespaard blijven. Dessagrond moet niet kunnen uitgegeven worden. Dessagrond is tweederlei: bebouwd en niet bebouwd en c. noemt van den laatsten alleen gemeene weide. Het zou mij echter uiterst onrechtvaardig schijnen, den overigen onbebouwden dessagrond te ontnemen aan hen, aan wie hij toekomt, om dien in erfpacht aan partikulieren uit te geven.

De heer Stieltjes merkte aan, ik geloof terecht, dat de grenzen der dessa ons niet volledig bekend zijn. Dit is een moeilijkheid in de praktijk, die evenwel het beginsel hoegenaamd niet deert. Bestaat echter die moeilijkheid, die ons in den weg is, ook voor den

Sluiten