Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

inlander? Ik zou gelooven dat de inlander zeer goed weet wat tot den ring of de mark der dessa. gelijk wij zouden zeggen, behoort.

In allen geval schijnt mij de uitdrukking „gemeene weidegronden" te nauw.

Hetgeen in die bepaling te eng is, wordt aangevuld door art. 3, maar op eene wijze die mij weinig voldoet.

Art. 3 zegt: „Gronden uiet vallende in de termen van het voorgaande artikel, doch waarop de dessabevolking erkende rechten uitoefent, worden alleen dan door den Gouverneur-Generaal in erfpacht uitgegeven, wanneer met de daarop rechthebbenden kan worden overeengekomen, nopens de aan hen te verleenen schadevergoeding."

Ik zal niet te zeer drukken op de vraag, waarin zulk eene schadevergoeding zou kunnen bestaan. Stel eens een recht, te vergelijken met hetgeen wij kennen als dat om plaggen te steken, en ontneem zoodanig recht aan de bevolking; hoe wilt gij haar vergoeding schenken? Doch ik laat dit daar.

De hoofdzaak is, dat art. 3 tweeërlei zeer verschillende soort van gronden omvat, zoowel den geheelen onbebouwden dessagrond buiten de gemeene weide, als gronden, niet aan de dessa behoorende, doch waarop door hare bewoners zekere rechten worden uitgeoefend. Bij voorbeeld, sommige ingezetenen zijn, misschien op palen afstands buiten den dessagrond, gewoon hout of andere benoodigdheden te gaan halen. Aangenomen, dit zij een erkend recht, dan is dit toch zeer onderscheiden van het recht, dat de dessagemeenschap of de markgenooten op den gemeenen grond hebben. Deze mag hun niet ontnomen worden; onteigening ware hier misbruik. Onteigening toch geschiedt te algemeenen nutte, maar hier zou het onteigening zijn in het belang van den partikulier, aan wien de dessagronden in erfpacht zouden worden uitgegeven, en ten bate der schatkist, die de pachtsom zou trekken.

Daarentegen twijfel ik, of de klasse van zoogenaamde rechthebbenden, die elders, buiten de mark der dessa, hout of andere voortbrengselen zich toeeigent, een beletsel voor uitgifte mag zijn. Mij dunkt, dat dit recht zoo onbestemd is, dat men daardoor het in cultuur brengen van woeste gronden niet licht moet laten beperken. Doch wacht ik gaarne daaromtrent de inlichtingen des Ministers af.

Yoor zooveel art. 3 op niet bebouwde dessagronden slaat, meen ik dat de waarborg bij lit. c van art. 2 behoort, en dezelfde als die voor de gemeene weiden moet zijn. Dit is de reden, waarom ik voorstelde te lezen: „Gronden als gemeene weide of uit eenigen anderen hoofde tot de dorpen of dessa's behoorende." De redactie, waaraan ik de voorkeur zou geven, is die waarvan ik gisteren in de eerste plaats gewaagde: „Weide- en andere gronden bij de bevolking van een of meer dessa's in gebruik." Maar wat is aan deze redactie in den weg? Art. 62 van het Regeeringsreglement, dat zegt: „De Gouverneur-Generaal kan gronden uitgeven in huur, volgens regels bij algemeene verordening te stellen. Onder die

thorbecke, Parlementaire redevoeringen, 18(30—1863. <j

Sluiten