Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

"•ronden worden niet begrepen de zoodanige, door de inlanders ontgonnen of als gemeene weide of uit eenigen anderen hoofde tot de dorpen of dessa's behoorende." Kunnen wij bij deze wet de uitzonzondering anders bepalen dan het Regeeringsreglement voor huur, dus bij eene rechtsverleening van minder omvang, doet?

No<* een woord over het bezwaar dat men de grenzen der dessagronden niet kent. Hierop is, geloof ik, toepasselijk hetgeen bij vroegere deliberatien wel eens op de klacht over de verwarring van het inlandsche huishouden aangemerkt werd: ons schijnt duister hetgeen voor den inlander helder is. Met zijne hulp, met raadpleging der°ingezetenen moet het, dunkt mij, mogelijk zijn, in de richting waar men woeste gronden zou willen uitgeven, tot de kennis te komen hoever de dessa's zich uitstrekken. Met den heer Stieltjes wensch ik, dat de kaartenfabriek verder gevorderd ware en wij reeds een volledig overzicht hadden van den toestand van het terrein op Java. Maar ik zou niet wenschen, de weldaden, welke deze wet in hare gevolgen aan Java en zijne bevolking bewijzen kan, uit te stellen totdat opneming en kaarten geheel voltooid zijn.

Artikel 4 werd mede in beraadslaging gebracht. Het ontwerp schreef voor: „vóór het in werking treden dezer wet wordt het recht der bevolking tot ontginning van gronden door den gouverneurgeneraal, na een opzettelijk onderzoek, bij ordonnantie geregeld."

Beantwoording van de critiek op de voorgestelde amendementen.

Het schijnt dat ik gisteren ongelukkig was; ik werd door de heeren Pijnappel en Godefroi, ook heden wederom, verkeerd verstaan. Is dit mijne schuld, dan vraag ik daarvoor verschooning.

Hetgeen ik gisteren gezegd heb had geen andere meening dan hetgeen ik heden zeide, en die meening is geen andere dan waarvoor ik ben opgekomen, toen dit ontwerp in de sectien behandeld werd. Ik zal van het misverstand niets meer zeggen.

Het komt er op aan, in welken geest de amendementen zijn «esteld, of liever op welke gronden zij berusten. De heer Godefroi vraagt: waarom van een recht tot ontginning gesproken? Waarom niet°van ontgonnen gronden? En ontgonnen gronden zijn volgens hem niet anders dan bebouwde gronden. Daarop is, meen ik, een juist antwoord gegeven door de heeren 's Jacob en van der Linden. Niet alleen naar het Indisch, ook naar ons taalgebruik wordt, zoo ik mij niet bedrieg, onderscheiden tusschen bebouwde gronden en gronden waarvan de ontginning is aangevangen.

Het is van deze laatste dat sprake is onder lit. b van art. 2.

Het recht van ontginning van den inlander is een steen des aanstoots voor den heer Godefroi. Mij dunkt, de bewoording is zeer wel te verdedigen, wanneer men bedenkt, dat hier sprake is van Staatsdomein, waarop niemand een eigen recht van bebouwing heeft, tenzij de inlander, aan wien, zoo individueel als in vereeniging, zijn 'aloud recht, om woeste gronden te ontginnen, op het domein wordt voorbehouden.

Sluiten