Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Intussclien ben ik wel van liet gevoelen van de lieeren Godefroi en van der Linden, dat wij met regels, voor het recht van ontginning te stellen, hier niet te doen hebben. Ik meen dat gisteren reeds gezegd te hebben. Met het feit, waar en op welke wijze heeft de inlander van zijn recht gebruik gemaakt, hebben wij te doen. Dit ligt ook in de bewoording van mijn amendement. Derhalve heeft de Gouverneur-Generaal, in de ordonnantie, in art. 4 genoemd, enkel aan te wijzen wat er moet gebeurd zijn om aan te nemen, dat de inlander zijn recht van ontginning uitgeoefend heeft.

Dit zou nu op meer dan eene wijze uitgedrukt kunnen worden, wellicht op die, welke de heer Keuchenius mij de eer deed mij te onderwerpen, waarvolgens art. 4 zou vervallen en daarentegen onder lit. b van art. 2 gelezen worden: ,,gronden, waarvan het naar regels, bij algemeene verordening te stellen, overtuigend blijkt dat de inlandsche bevolking met de ontginning een aanvang gemaakt heeft." Ik zou liever het woord „regels" vermijden, en geef dus in overweging, ook om, zooveel mogelijk, bij de redactie van het ontwerp te blijven, art. 4 aldus te wijzigen:

„Vóór het in werking treden dezer wet wordt door den Gouverneur-Generaal bij ordonnantie bepaald, uit welke feiten eene door inlanders aangevangen ontginning van gronden, niet begrepen in lit. c van art. 2, geacht moet worden te blijken."

De heer van de Putte heeft volkomen mijne meening uitgedrukt, dat hier onder gronden niet verstaan worden dessagronden, al zijn deze onbebouwd. En om alle misverstand te voorkomen, neem ik de inlassching, door hem voorgesteld, gaarne over.

De heer 's Jacob geeft in overweging, uit het amendement, op lit. b voorgesteld, de woorden „volgens art. 4", weg te laten. De bedoeling, waarmede ik die woorden heb voorgesteld, is duidelijk geene andere dan met de aanhaling van art. 4 te zeggen, dat eene aangevangen ontginning uit bepaalde feiten blijken moet, om het recht van uitgifte buiten te sluiten.

Op de vraag van den geachten afgevaardigde uit Amsterdam, den heer Godefroi: „hoe ver strekt zich het recht van ontginning uit?" heb ik na hetgeen ik zoo even zeide niet te antwoorden. Dat recht is in het wezen onbeperkt, doch bij deze wet komt alles op de vraag aan, of op eene bepaalde plaats een bepaald gebruik van het recht gemaakt zij.

Eindelyk zou de heer van der Linden de voorkeur geven, wat lit. c betreft, aan mijn eerstgenoemd voorstel van gisteren. Ik zeide reeds, dat mij art. 62 van het Regeeringsreglement in den weg stond. En nu zou ik, na deze discussie, toch niet vreezen, dat het Indisch Bestuur in de bewoording iets anders zal zien, dan hetgeen zij aanduidt, den gemeenen onbebouwden dessagrond.

Ik zeide, dat ik nadere inlichting zal afwachten of, bij aanneming van mijn amendement op lit. c, art. 3 nog noodig schijnt. Indien het wordt aangenomen dan blijft er voor art. 3 niets over dan die zoogenaamde rechten te beschermen, waarvan het gebruik

6*

Sluiten