Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

vaste omschrijving vatbaar zijn. Kan dit van de gronden en gebruiksrechten, waarop het voorstel doelt, gezegd worden? Zijn beide niet te eenenmale onbepaald? Zijn daaronder begrepen alle zoogenaamde gebruiksrechten en alle gronden, waarop de bevolking zich van tijd tot tijd een gebruik veroorlooft? Is het begrip zoo te bepalen, dat dergelijk artikel der wet niet eene te groote belemmering der uitgifte in erfpacht zou te weeg brengen?

De schadeloosstelling: ook daaromtrent ontving ik gaarne oplossing. Hoe kan schadeloos worden gesteld? Als voorbeeld is het snijden van bamboe aangehaald: moet de bevolking daarvoor schadevergoeding in geld ontvangen, of de aanwijzing eener andere plaats voor bamboe snijden ? Zulks zal in den regel niet kunnen geschieden. En hoe in geld? Welke schadevergoeding is dan denkbaar, die dit inderdaad ware? Bij die onbestemdheid van gebruik, recht en gronden, en van hetgeen daarvoor in de plaats zou kunnen komen, vinde ik voor alsnog geene voldoende reden om het artikel te ondersteunen.

26 Juni. Artikel 7 omschreef wie erfpachters konden wezen, o. m.: „Europeanen en daarmede geli]kgestelden, met uitzondering vau Christen-inlanders." In de plaats daarvan wilde de heer Fransen van de Putte schrijven: ..Nederlanders en ingezetenen van nederlandsch-Indie."

Een paar opmerkingen of liever vragen.

Uit den loop der discussie maak ik op, dat het voorstel der Regeering, wat het tweede lid, „Europeanen en daarmede gelijkgestelden," betreft, eenen anderen zin heeft dan ik dacht. Onderscheiden redenaars, inzonderheid de geachte spreker, die mij voorafging, de heer Rochussen, hebben de bepaling zoo opgevat, alsof alle Europeanen, in welk land ook gezeten, toegelaten wierden, ot, zooals het artikel thans zegt, erfpachters konden wezen.

Ik meende dat Europeanen en daarmede gelijk gestelden hier in geen anderen zin voorkwamen, dan waarin het Regeeringsreglement hen noemt, dat daaronder ingezetenen van NederlandschIndie verstaat.

Wat de inlanders betreft, ben ik van het gevoelen van de heeren 's Jacob en Godefroi. Ik zal er mij niet tegen verzetten dat zij van de ingezetenen van Nederlandsch-Indie niet worden uitgezondeid, doch Ik kan ook in het niet noemen der inlanders geene achterstelling van hen zien.

Het amendement van den heer van de Putte noemt ,,Necieilanders en ingezetenen van Nederlandscli-Indie."

Nederlanders dus in Nederlandsch-Indie niet gevestigd. Wil men alzoo aan den Nederlander een voorrecht boven den Engelscliman of Franschman schenken? Ik zag gaarne dat de wet, overeenkomstig het doel dat zij beoogt, een meer cosmopolitisch karakter had. Zoo de Nederlander, in Nederland of elders in Europa gevestigd, erfpachter wordende, een vertegenwoordiger moet hebben in

Sluiten