Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ZITTING 1867—4868.

23 November. Diplomatiek beleid in de aangelegenheden van Limburg en Luxemburg. Beraadslaging over de conclusie van het rapport der commissie uit de kamer, in wier handen was gesteld het tusschen Nederland en de betrokken mogendheden te Londen gesloten tractaat tot regeling van de Luxemburgsche aangelegenheden.

Ten gevolge van den oorlog van 1866 was de duitsche bond uiteengespat en waren mitsdien de oude verbindtenissen tusschen Limburg en Duitschland verbroken. Ofschoon dit door de regeering werd erkend, en ook van de duitsche zijde niet werd weersproken, had de regeering het erop toegelegd, van het pruisische gouvernement eene officieele erkenning te erlangen, dat hare opvatting ook daar werd gedeeld. Zoover was de regeering daarbij zelfs gegaan, dat zij in October van 1866 aan de pruisische regeering eene schikking had voorgesteld, waarbij Nederland afstand zoude doen van zijn aandeel in de goederen van den vroegeren duitschen bond, waartegenover dan Pruisen zoude verklaren, dat Limburg voor goed van Duitschland gescheiden was. Waartoe dit voorstel? Moest daarmee de schijn niet worden opgewekt, alsof Nederland zelf zijne stelling betwistbaar achtte?

Tegelijk met de onderhandelingen over Limburg had de regeering zich er toe laten verleiden, zich met de aangelegenheden van Luxemburg in te laten. Koning Willem III was bereid, Luxemburg aan Frankrijk over te dragen. De nederlandsche regeering, in stede van zich op het standpunt te plaatsen, dat de zaken van Luxemburg haar niet raakten, scheen echter tegenover Pruisen de belangen van Limburg met die van Luxemburg in verband te hebben gebracht, aldus een nederlandsch met een niet-nederlandsch belang vermengend, en het eerste door het laatste in gevaar brengend. Heen en weer geslingerd tusschen Frankrijk en Pruisen, verlangend aan de wenschen van Napoleon tegemoet te komen en toch met Pruisen op goeden voet te blijven, had de nederlandsche regeering de onderhandelingen met Frankrijk sleepend gehouden, ttot het eind van Maart, toen de overdracht scheen te zullen worden beklonken. Juist toen de overeenkomst zou worden geteekend werd echter den koning van Nederland van de zijde der pruisische regeering op de meest formeele manier afgeraden, Luxemburg aan Frankrijk over te doen. Daardoor verschrikt had de nederlandsche regeering plots hare plannen prijsgegeven; hare vroegere houding verlatend, begon zg aan te sturen op eene erkenning door Pruisen, dat Nederland aan Luxemburg en de luxemburgsche belangen te eenen male vreemd was. Ten einde dit duidelijk te doen uitkomen, bood de nederlandsche

Sluiten