Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

regeering hare bemiddeling te Berlijn aan voor onderhandelingen, die tusschen Pruisen en Frankrijk over Luxemburg mochten worden gevoerd (Zie hiervóór, blz. 43).

De luxemburgsche aangelegenheid was ten slotte opgelost op eene conferentie te Londen, die eindigde mot de onderteekening van een traktaat, waarbij Luxemburg werd geneutraliseerd en de deelnemende mogendheden, met uitzondering van Belgie. collectief de onzijdigheid van dat land waarborgden. In artikel VI van het traktaat was uitdrukkelijk geconstateerd, dat Limburg geheel bevrijd was van zijne betrekkingen tot Duitschland.

Wat had de regeering bewogen, aan de conferentie van Londen deel te nemen?

Tegen de collectieve garantie van Luxemburg's onzijdigheid waren ernstige bedenkingen in het midden gebracht. De minister van buitenlandsche zaken had zich daartegen verweerd met de opmerking, dat aanvankelijk alleen sprake was geweest van eene garantie der vijf groote mogendheden, die bij het traktaat van 1839 Belgie's neutraliteit hadden gewaarborgd. Pruisen had evenwel op het laatste oogenblik eene collectieve garantie van alle onderteekenende mogendheden verlangd. Kon Nederland zich toen terug trekken, terwijl het sluiten of niet sluiten van het traktaat eene quaestie was van vrede of oorlog'?

Toen ik geroepen was tot het onderzoek van het traktaat van Londen en de daarbij overgelegde protokollen, en ik de officieele mededeelingen, wel niet van onze maar van andere Regeeringen, raadpleegde, kreeg ik den indruk, dat de geschiedenis van onze ministerieele diplomatie in deze aangelegenheid het gedrag vertoont van iemand, die het evenwicht niet weet te vinden, die, gedurig van de eene naar de andere zijde heen en weder gaande of geworpen, onrustig, gejaagd om iets te doen, dan weder voor hetgeen gedaan is bevreesd, het rechte oogenblik, hetzij van onthouding hetzij van handeling, niet weet te treffen.

Heeft deze discussie, heeft de verdediging van den Minister dien indruk kunnen wegnemen?

Na hetgeen gezegd is, wil ik enkel bij drie keerpunten van die geschiedenis eene poos stilstaan.

Vooreerst bij den aanvang der onderhandelingen.

Ongaarne raadpleegde ik daarover en over het geheele beloop uitsluitend vreemde mededeelingen. VVij hebben bescheiden en inlichtingen van den Nederlandschen Minister gevraagd. De Minister heeft in zijn antwoord op het Verslag over hoofdstuk III ons met eene weigering bejegend. Wij lezen daar: „De ondergeteekeiule heeft rijpelijk overwogen, in hoeverre het hem mogelijk zoude zijn aan dat verlangen te voldoen, en hij is tot de overtuiging gekomen dat eene openbaarmaking van diplomatieke stukken, zooals die door andere regeeringen is geschied, of niet aan het beoogde doel zou beantwoorden, of niet overeen te brengen zoude zijn met het belang van Nederland."

„Of niet aan het beoogde doel zou beantwoorden." Het beoogde doel, althans «lat van de minderheid der Commissie die mededeeling

Sluiten