Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

delibereeren zal. Dan zal ook de vraag te pas komen, in hoe ver juist is hetgeen de Minister in eene vorige vergadering zeide, en nu weder, schoon in zachter uitdrukking, herhaalde, dat door het bekrachtigen van eene wijziging der statuten de Regeering afhankelijk geworden is. Dat zal dan kunnen onderzocht worden, voor zoover het noodig mocht schijnen nadat dit punt in deze en in de andere Kamer vroeger meer dan eens is behandeld. Dan zal ik ook in de gelegenheid zijn, aan wie daar ook zitting hebben, met welwillendheid te vragen hoe het uitstel gedurende bijkans een jaar, gedurende een geheel werkseizoen althans, van de gevraagde goedkeuring voor den bouw van sluizen te verklaren zij? Ik zal met welwillendheid vragen, zonder vooraf te critiseeren. Ik ben te zeer overtuigd, dat men, om te oordeelen over dergelijke ministerieele handelingen, met alle omstandigheden bekend moet zijn. Hoe vreenul de zaak zich thans voordoe, wil ik niet, zooals de vorige geachte spreker aanstonds een verwijt tegen de Regeering uiten. Ik zal de zaak nagaan, en daarna een oordeel uitspreken. Niets onrechtvaardiger dan te discrediteeren hetgeen men niet volkomen kent.

Eén punt heeft mij genoegen gedaan. Ik heb namelijk den geachten interpellant leeren kennen als een voorstander van het groote werk. Ik kende en ken velen die, zooals het heet, in beginsel voor zijn, maar het inderdaad op alle wijzen tegenwerken. Hetgeen ik wel eens in de laatste jaren over den geachten spreker hoorde, gaf' mij soms den indruk, dat hij niet onder de oprechte voorstanders van het werk mocht geteld worden. Tot mijn genoegen mag ik hem thans als mijn bondgenoot begroeten.

De minister had den heer Th. slecht gevolgd. Het was toch — vroeg hij — het verlangen niet, thans een antwoord te ontvangen op de vraag, of de directie der kanaalmaatschappij terecht de regee* ring beschuldigd had, gedurende een werkseizoen de goedkeuring van een bestek te hebben opgehouden ?

De Minister heeft gelijk in het vermoeden dat hij het laatst heeft uitgedrukt. Ik heb geen vraag gedaan. Ik heb gezegd dat ik het tijdstip, waarop wij over het verslag der commissie zullen te delibereeren hebben, wilde afwachten, om dan in staat te zijn dergelijke en andere vragen te doen, en die te doen met welwillendheid, zonder oogmerk van kritiek.

De heer Pijnappel noemde het een voor hem onverklaarbaar raadsel, op welken grond hij ooit voor een tegenstander van het werk kon worden gehouden.

Het ongeluk van het werk der Kanaalmaatschappij, een grooter ongeluk dan alle gebreken, die men in de concessie of in de statuten zou kunnen opsporen, is en was van den beginne af dat de zaak een speelbal van persoonlyke antipathieën en sympathieën in de hoofdstad werd. Onder den indruk daarvan heb ik in de laatste jaren meermalen hooren zeggen dat men den heer Pijnappel niet

Sluiten