Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

een eerlijke, vaderlandsche, Nederlandsche wensch, waarbij niets overig blijft, Mijnheer de President, niets dan de vraag, wat tot vervulling van dien wensch belioore.

7 Maart. Aanstonds, nadat do heer Th. had uitgesproken, kwam de minister van binnenlandsche zaken aan het woord, om het gevraagde licht te verstrekken. Geen oogenblik, zei hij, was het bij de regeering opgekomen, „het volk op te roepen, om partij te kiezen vóór of tegen den koning." "Wat de tweede vraag betrof, welk landsbelang de ontbinding noodzakelijk had gemaakt, wist de minister geene andere opheldering te geven, dan deze: de regeering, door 's konings blijk van vertrouwen vereerd, had gemeend te moeten „beproeven 's lands bestuur voort te zetten." Doch om dat mogelijk te maken moest tot ontbinding van de kamer worden overgegaan; de regeering kon toch niet bij dezelfde kamer van eene eenmaal gegeven uitspraak in revisie komen?

Dat 's ministers antwoord niet in staat kon zijn, degenen, die de ontbinding afkeurden, te bevredigen, lag voor de hand. Eene uitvoerige, menigmaal vinnige, critiek volgde, waartegenover der regeering uit de kamer slechts zwakke steun werd geboden. Ten slotte trok de regeering hare verdediging op één hoofdpunt samen: indien de kamer de gelegenheid wilde geven, om bij de behandeling van de begrooting voor buitenlandsche zaken nadere inlichtingen te verstrekken over het gevoerde buitenlandsch beleid, zou zij inzien, te hebben misgetast bij het vonnis, dat zij over dat beleid geveld had. Was daarmede dan echter de ontbinding gerechtvaardigd?

Nadat de discussien drie volle dagen hadden in beslag genomen, stelde de heer de Bosch Kemper voor, de beraadslagingen te sluiten, en de kamer te doen overgaan tot de orde van den dag. De motie, onverwacht in de discussie geworpen, werd afgestemd. Daarop stelde de heer Blussé van Oud-Alblas voor: „De kamer, gehoord de inlichtingen der ministers, is van oordeel dat geen landsbelang de jongste ontbinding der kamer vorderde, en sluit de beraadslaging." Van verschillende zijden werd ook op dit voorstel aanmerking gemaakt. De kamer behoorde dan toch, meende men, in allen geval de nadere inlichtingen af te wachten, welke de regeering over de luxemburgsche aangelegenheden had toegezegd. De heer de Bosch Kemper betwijfelde de grondwettigheid der voorgestelde motie. Andere leden gaven de voorkeur aan de verzending van een adres aan den koning.

Noodzakelijkheid het oordeel over het buitenlandsch beleid der regeering af te scheiden van dat over de ontbinding. Kon men echter niet, alvorens over de motie te stemmen, aan de regeering de gelegenheid verschaffen, zich nader over het buitenlandsch beleid te verantwoorden, gelegenheid, die wellicht na aanneming der motie niet meer zou bestaan ?

Gaarne trachtte ik den kring, die door de interpellatie van verleden Maandag is geopend, wat mij betreft te sluiten.

De poging daartoe zou ik reeds verleden Woensdag gedaan hebben; doch ik werd daarin op eene ongewachte wijze verhinderd. Ik bevond mij in eene onzer sectie-kamers ten einde iets na te zien, toen ik plotseling werd opgeroepen om te stemmen over eene motie van orde tot sluiting der beraadslaging.

THORBECKE, Parlementaire redevoeringen, 1867—1868. 8

Sluiten