Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Het gevolg is aan de Kamer bekend; en ik was dus tegen mijn wensch buiten de gelegenheid om te doen hetgeen ik in den tegenwoordigen stand der aanhangige zaak nu zal beproeven.

De heer van Wassenaer meende in eene van de vorige zittingen

• • , O O

mij „man van het gezag te mogen noemen. Ik laat mij die benaming gaarne welgevallen; daar en hier; en juist daarom, mijnheer de President, verlang ik, dat het gezag in de eerste plaats en bovenal door de vertegenwoordigers der Kroon in eere gehouden worde.

Mijne interpellatie had geene andere strekking. Na beantwoord te zijn, meeu ik nu te kunnen volstaan, wanneer ik constateer hetgeen ik gevraagd heb en het antwoord dat ik ontving.

Om zoo min mogelijk terug te komen in hetgeen verscheidene dagen geleden geschied is, ga ik voorbij, dat het antwoord van den Minister van Binnenlandsche Zaken, in het Bijblad tegenover mijne interpellatie gedrukt, mij het antwoord scheen van iemand die naar een antwoord zoekt.

Ik vergenoeg mij den inhoud èn van hetgeen ik gevraagd heb èn van hetgeen mij geantwoord werd, met een paar woorden aan te stippen.

Ik heb twee hoofdvragen gedaan, twee grieven voorgesteld: welk is het antwoord of welke de verantwoording geweest V

De eerste vraag of de eerste grief. Des Konings naam is in het geschil met de ontbonden Kamer en bij de ontbinding misbruikt. Hoe beantwoord? „Dat was onze meening niet; wy verklaren het met de hand op het hart." Heb ik de intentie of de daad beoordeeld? De daad, zooals het ministerieel rapport van 2 Januari die deed kennen. Zij scheen mij en schijnt mij nog te strooken met eene orde van zaken, waarin de ministerieele verantwoordelijkheid öf niet bestaat öf verloochend wordt en de Ministers, om zich te dekken den Koning voorzetten. Dient bij ons het Koningschap om een Ministerie te beschermen?

Ik heb in de tweede plaats gevraagd naar het Landsbelang, dat tot ontbinding had verplicht. Het hoofdantwoord was: „het Ministerie had besloten te beproeven, 's lands bestuur nog eenigen tijd voort te zetten."

In waarheid is dus de strijd der verkiezingen opgeroepen om voor of tegen het bestaan van het Ministerie te beslissen. Men verwijt, Mijnheer de President, aan de Vertegenwoordiging inbreuk op een Koninklijk recht, wanneer zij een besluit neemt, dat op het ministerieele leven van een individu of van een Ministerie invloed zou kunnen hebben. En men onderwerpt de vraag om bekrachtiging van 's Konings keuze aan het volk? Ik mis hierin zoowel constitutioneel besef, als gevoel van gouvernementeele waardigheid.

Een tweede antwoord ontving ik van den Minister van Buitenlandsche Zaken in de zitting van '1 Maart. „De ontbonden Kamer, heette het, heeft over het diplomatiek beleid een onjuist oordeel geveld; ik zal het u bewijzen; wacht zoolang." Wat mij betreft,

Sluiten