Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

of gezanten van de mogendheid, welke de mededeeling doet. Is ons Gouvernement zonder verlof van vreemde mogendheden niet meester, de stukkeu, die onze Ministers en onze gezanten geschreven hebben, aan de Staten-Generaal mede te deelen?

De Minister doet ons niet veel voorzien; hij spreekt nu van „eeuige" stukken. Ik mag het lijden; zoo de stukken voldoende zijn, dan hoe minder hoe beter. Kunnen zij leiden tot een gunstiger oordeel dan hetgeen ik met andere leden gemeend heb te moeten uitbrengen, het zal mij welkom zijn. Oor en geest zullen open blijven.

Indien het Ministerie, zeide ik, schorsing der beraadslaging over de motie verlangde om onverwijld stukken te kunnen niededeelen, zal de Kamer, de schorsing toestaande, ook op ouverwylde mededeeling mogen rekenen. Onverwijld; dat is niet de bepaling van één dag, van twee dagen, maar zoodanige spoed van mededeeling als eenigszins mogelijk is.

Wordt de beraadslaging niet geschorst, en neem ik thans de motie, door den lieer Blussé voorgesteld, aan, dan zal ook daarna mijn oordeel even vrij en toegankelijk blijven voor nadere inlichtingen, welke de Minister ons mocht geven.

Met den Minister van Binnenlandsche Zaken zal ik, om de reden die ik in de eerste plaats noemde, niet in discussie treden over de interpellatie en het antwoord, in één en hetzelfde vel van het Bijblad nevens elkander gedrukt.

De Minister heeft een pleidooi gevoerd waarin ik hem niet zal volgen, een pleidooi tegen de vorige Kamer, over hare beoordeeling van het diplomatiek beleid. Mijns inziens heeft dat met hetgeen wij thans behandelen niets te doen. Wij handelen thans over de verplichting om tot de jongste ontbinding te besluiten.

Volgens den Minister „assuuieert" zich de Kamer een oordeel over de ontbinding. Wil dat zeggen, zooals de Minister van Buitenlandsche Zaken het uitdrukt, dat wij naar een parlementair alvermogen staan? Is het dan niet eene eenvoudige en algemeen erkende waarheid, dat de ontbinding eene regeeringsdaad is, eene ministerieele daad, en dus aan de beoordeeling van het publiek en in de eerste plaats van de Kamer onderworpen ? Behoeft onze bevoegdheid, om die bepaalde regeeringsdaad te beoordeelen, met zoovele woorden in de Grondwet vermeld te zijn?

En door den Minister van Buitenlandsche, èn door dien van Binnenlandsche Zaken worden wij nu weder, wat het oordeel, over het diplomatiek beleid te vellen, betreft, naar de behandeling der begrooting gedreven. Tot dusver werd, zoo ik mij niet bedrieg, aan die zijde beweerd, dat de begrooting niet anders kan worden beoordeeld dan uit haren inhoud, door sommigen tot de cijfers gereduceerd. En thans zegt men: het oordeel over de begrooting heeft zich opgelost en zal zich oplossen in een oordeel over den Minister. Neen, er zijn leden die vóór de begrooting hebben gestemd en wellicht zullen stemmen, die toch 's Ministers diplomatiek beleid in geenen deele goedkeuren.

Sluiten