Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Nu eeniglijk als lid der Commissie.

Ik hoorde, nu en gisteren, van eene meerderheid en eene minderheid der Commissie spreken. Eene fictie, buiten de Commissie gemaakt; in de Commissie toch was er, wat de zaak in het algemeen betreft, noch meerderheid noch minderheid; enkel op een paar ondergeschikte punten, die ik aanstonds zal aanwijzen, verschil van meening.

Men is in de geschiedenis van de handelwijze der Commissie getreden en heeft mij alzoo verplicht die van mijn kant in het volle licht te plaatsen.

Het is geen geheim hoegenaamd. Het kan aan ieder worden medegedeeld; en zoo er notulen waren gehouden, zoo een kring van leden der Kamer de beraadslaging had bijgewoond, zouden zij getuigen hetgeen ik de eer zal hebben te zeggen.

Wij ontvingen de stukken laatstleden Zaterdag, en nadat de Commissie geconstitueerd was, stelde de president terstond aan zijne medeleden voor, Zondag te vergaderen, om na te gaan wat dan reeds zou kunnen worden vastgesteld, hetgeen afhing van de mate van kennis welke de onderscheiden leden dan van den inhoud der stukken zouden genomen hebben. Dat vond geen bedenking. Toen men Zondag namiddag bijeenkwam, werden vooraf eenige retiectien over de medegedeelde stukken in liet algemeen gemaakt, zonder dat zij, welke die mededeelden, daarvan opneming in het rapport verlangden. Zooals aanstonds blijken zal, was ten aanzien van het algemeen plan van het rapport de meening van de Commissie eenparig.

Tot die voorafgaande opmerkingen behoorde: de ontvangen bescheiden, zoo ver wij konden zien, leeren ons niets nieuws. Zy hebben meer de houding van eene apologie, dan van eene historische mededeeling. Er is daarin niet, gelijk in de gepubliceerde correspondentien van Engeland, Frankrijk en Oostenrijk, een doorloopende samenhang; het is eene telkens afgebrokene mededeeling met gapingen. Men had niet met genoegen gezien, dat de Minister onderscheidene loffelijke getuigschriften, van buiten ontboden, aan de Staten-Generaal gemeend had te moeten overleggen. Men had dit niet inet genoegen gezien, daar de lof dien een Nederlandsch Minister verdient, toch niet berusten moet op vreemde verklaringen, maar op zijne handeling, en op de goedkeuring die hij hier ondei'vindt. Waarom zijn, vroeg men, deze daargelaten, de bescheiden niet vroeger medegedeeld? Niemand kon oplossen wat den Minister tot dusver had kunnen beletten die te openbaren. Alle reflectiën, die niemand voor het rapport bestemde; want van den beginne af kwam men eenparig overeen omtrent het plan zooals het gisteren door het medelid der Commissie den heer J. K. van Goltstein, aan de Vergadering is medegedeeld. Geheel overeenkomstig de voorstelling van dat geachte lid kwam dat plan hierop neer: te refereeren uit de bescheiden, welke de Minister nu overgelegd had, met vergelijking der oüicieele mededeeling van andere Regeeringen, gelijk van onze

Sluiten