Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

een voorstel, niet om de conclusie, zooals die voorgesteld was, te doen vervallen of vervangen; maar om daarbij iets te voegen. Dat las de heer Rochusseu ons van een stukje papier voor. Hij wilde, zooals wij, de stukken voor kennisgeving aannemen, maar daarbij de hoop der Commissie uitdrukken, dat de discussie door de Kamer zou worden uitgesteld tot aan de behandeling der begrooting, opdat dan een oordeel wierd geveld, wellicht een gunstiger oordeel over het ministerieel beleid, dan hetgeen vroeger in de Kamer was uitgesproken.

Dit voorstel ontmoette bedenking. Men zeide aan den heer Rochusseu: is zoodanige bijvoeging wel in de roeping van eene rapporteerende Commissie? Is dat niet een voorstel van orde deiwerkzaamheden waartoe de Kamer in den regel op voorstel van den President besluit? Ieder lid der vergadering, de heer Rochusseu gelijk een ander, kan in de vergadering zeggen: ik zou wenschen dat de zaak niet behandeld worde dan op dit of dat tijdstip: maar wij, rapporteerende Commissie over stukken, die in onze handen zijn gesteld, wij kunnen ons in zoodanige regeling niet mengen. Daarbij kwam, dat hetgeen de heer Rochussen wenschte, met de besluiten, door de Kanier reeds genomen, niet wel overeen te brengen was.

De heer Rochussen liet zijn voorstel ten laatste vallen en teekende. Dit is de toedracht der zaak.

Had de heer Rochussen tegen het rapport zeil bezwaar gemaakt en voorgesteld dat stuk nog eens te lezen; ware de Commissie daarin getreden; ik zou den President der Kamer een dag uitstel en geduld hebben verzocht; schoon iedereen op het rapport wachtte. Van mijne zijde heb ik niet tot spoed gedrongen. Meermalen president eener Commissie, liet ik altijd volkomen vrijheid, en overhaastte ik nimmer iemand. Had een lid verlangd tehuis te lezen, en dat voorgesteld, van mijne zijde zou ik daaraan hebben toegegeven. Of de Commissie daarin zou hebben toegestemd, weet ik niet; het geval is niet voorgekomen.

„Er is veel aangehaald", zegt de heer Rochussen, „en men kon niet alles nagaan." Ieder lid der Commissie was in dat geval. Het besluit der Commissie was, zooveel mogelijk aan te halen, opdat de leden der Kamer hetgeen in velerlei stukken verspreid was met gemak konden vinden. Ik durf niet zeggen of ieder lid der Commissie, misschien geen onzer, bij de voorlezing van iedere aanhaling haren inhoud voor den geest had. Maar wij waren gerust. Zoo niet alles volkomen diende, de leden der Kamer zouden bij het naslaan zonder moeite onderscheiden.

Voor den heer Insinger is het eene grief dat in het rapport geen gewag van de inleiding wordt gemaakt. Waartoe was dit noodig? De Commissie was benoemd om rapport over de bescheiden uit te brengen. De inleiding is een pleidooi van den Minister, zooals hij zijne handelwijze wenscht beschouwd te hebben. Dit pleidooi kan ieder lezen en kon, naar ons begrip, geen onderwerp van het rapport zijn.

Sluiten