Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Wij hebben hetgeen de Minister ons mededeelt en hetgeen wij buitendien wisten, onder vier punten geschikt: vier punten willekeurig gesteld, zegt de heer Insinger.

Men herinnere zich de discussien, bij meer dan eene gelegenheid hier gevoerd en men zal de reden vinden, waarom de Commissie meende hetgeen waarvan zij een overzicht geven moest onder die vier punten het best te kunnen samenvatten.

Volgens den heer Insinger kent de Kamer de Fransche, Engelsche en Oostenrijksche publikatien niet. Hij maakt er eene grief van, dat de Commissie ze gebruikt heeft. Die stukken zijn in de discussien der Kamer meermalen aangehaald. Zij worden aangehaald in de Bescheiden van den Minister; zij zijn bekend. Moest de Commissie ze verborgen houden of ignoreeren?

Aldus kome ik tot de opmerkingen tegen het rapport.

Gisteren hoorde ik daarover de rede van den heer W. van Goltstein ten deele; heden die van de heeren Insinger en Kemper. Van die van den heer van Goltstein heb ik geen eigen aanteekening, doch hier eene betere, dan de mijne denkelijk zou zijn geweest.

De heer W. van Goltstein heeft ons bijzonder dienst gedaan; want wanneer men van grieven tegen het rapport in het algemeen gesproken bad, zonder die aldus in de bijzonderheden, gelijk hij het eerst deed, aan te wijzen, en waarop nu anderen zich beroepen, ik zou nooit hebben kunnen vatten waarin die grieven bestonden. Het rapport nog eens nalezende, kan ik niet zien dat het iets anders behelst dan het behelzen moet volgens de zinsnede, die gisteren door den heer J. K. van Goltstein is voorgelezen; het rapport bevat niets meer en niets minder.

Ik begrijp volkomen dat niemand met het rapport tevreden is die öf° goedkeuring öf afkeuring verlangt. Maar hij die een historisch rapport verlangt en een overzicht van al hetgeen tot dusver is medegedeeld op de hoofdpunten, ten einde hij in staat zij een oordeel, zoo men wil een vonnis, te vellen, zal, dunkt mij, moeten voldaan zijn.

„Eene menigte onjuistheden" worden in het rapport ontdekt. Indien dit waar is, dan is het rapport zeer onvoorzichtig. Het rapport haalt toch telkens, met opgaaf der pagina's, aan, hetgeen ieder kan nazien.

Welke zijn die „onjuistheden"?

De heer W. van Goltstein begon met eene onjuistheid, die hij meent ontdekt te hebben op bladz. 2. Het heeft den geachten spreker „getrofien dat daar woorden zijn weggelaten, die onmisbaar zijn om den zin te begrijpen." Het slaat op de woorden, die uit eene rede van den Minister van Buitenlandsche Zaken van 23 November 1867 zijn aangehaald. Op bladz. 2 van het rapport wordt gezegd, «lat over onze betrekking met Pruisen ten aanzien van deze aangelegenheid, van dit tijdstip af, alleen is gebleken uit eene mededeeling van den Minister in de aangehaalde rede. Welke is die

Sluiten