Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Regeering haar middelaarschap aan Frankrijk, bij zijne onderhandeling met Pruisen, aan te bieden? Kon iemand dat wachten?

Eindelijk de garantie. Omtrent hetgeen daarover voorgevallen is, heeft, dunkt mij, de heer Insinger twee punten niet onderscheiden. Vooraf een woord over zijne opmerking — ook eene opmerking van den heer W. van Goltstein, die, hij duide het mij niet ten kwade, getuigt van eene min juiste lezing van het rapport — het verwijt namelijk, dat het rapport de eer van de eerste gedachte van het houden eener conferentie aan Oostenrijk heeft toegekend, die toch gekomen ware van hier. Het rapport spreekt niet van de conferentie, maar op de plaats, waarop het geachte lid doelt, van de grondgedachte van het Londensche traktaat. En die grond is gelegd door de Oostenrijksche dépêche van 8 April.

Ik zeide, dat de heer Insinger twee onderwerpen niet onderscheidt ; de onzijdigverklaring en de collectieve garantie. Dat Luxemburg onzijdig zou zijn, was reeds het voorstel van Oostenrijk in de zooeven genoemde dépêche van 8 April, en dat voorstel heeft vervolgens de wandeling gedaan langs alle hoven, en is het doel, waarheen men streefde, geworden, toen de vrede, niet in Maart, gelijk de heer Kemper beweerde, maar in April ernstig bedreigd werd.

Dat denkbeeld van neutralisatie kon hier niet onbekend zijn; maar de garantie collective? Het rapport zegt daarvan hetgeen uit de ministerieele Bescheiden moet worden opgemaakt. De garantie collective werd aanstonds in de eerste zitting der conferentie, blijkens het proces-verbaal, voorgesteld, en door den heer Bentinck voor eene „base de négociation" verklaard. Wanneer nu de geachte spreker zegt, dat men daarin hier wel berusten moest, omdat men op den laatsten dag geen tijd had te overleggen, aangenomen dat die base de négociation hier vooraf onbekend was, dan zou de vraag kunnen rijzen, of in den loop der dagen, gedurende welke de conferentie te Londen zat, geen telegrafische wisseling van denkbeelden tusschen de Regeering en onzen gevolmachtigde te Londen plaats had.

Ik heb niets verder te antwoorden op de eenigszins vreemde vraag van den heer Insinger: wist de Commissie dat hetgeen zij schreef onhoudbaar was? Indien het der Commissie mocht blijken dat zij zich vergist heeft, zij zal het gaarne erkennen.

Op de bedenkingen van den heer Kemper meen ik in het wezen der zaak reeds geantwoord te hebben. Ik sprak over hetgeen hij ten opzichte van blz. 3 van het rapport aanmerkte. Is het een gegrond verwijt, dat de Commissie van onderhandelingen spreekt, waar de geachte spreker niet dan officieuse onderhandelingen of pourparlers wil gezien hebben ? De Commissie heeft het feit vastgehouden dat de ministerieele bescheiden vermelden. In welken vorm, officieel, officieus, verbaal of schriftelijk, dat laat de Commissie in het midden.

Volgens den heer Kemper beroept het rapport zich op buitenlandsche diplomaten en gaat het voorbij hetgeen de Nederlandsche

Sluiten