Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„of grief over regeeringsbeleid, maar alléén ten einde personen te „verwijderen, wordt overgegaan tot het uiterste middel der weigering „van begrootingswetten, wat beteekent dan art. 73 der Grondwet?"

Is dit, 11a al hetgeen voorviel, na al hetgeen zoo duideljjk, mondeling en schriftelijk, werd gezegd, een juiste en rechtvaardige voorstelling? Zijn er inderdaad geene grieven geopperd?

Ik zal geen woord zeggen van de grieven betreffende het finan-

O 00 O

tieel en koloniaal bestuur, of' dat van eenig bijzonder departement. Ik zal mij houden bij de grieven, die men de constitutioneele grieven zou kunnen noemen.

De constitutioneele grieven kan men, geloof ik, samentrekken in één woord: den niet-constitutioneelen geest van het Ministerie. Het komt — ik druk daarop — op dien niet-constituoneelen geest veel meer aan dan op bijzondere feiten of daden, die men tot bewijs, dat het Ministerie niet door een constitutioneelen geest bezield is, kan bijbrengen.

Voor zooveel het feiten of daden geldt, haal ik vooreerst aan, doch niet dan met een enkel woord, hetgeen met dit Ministerie reeds na de ontbinding van 1866 werd gedebatteerd, het gebruik maken van den naam des Konings bij de verkiezingen, de meest vrije handeling van Nederlandsche burgers; voorts de herhaalde ontbinding, gewis aan de gedachte der Grondwet, welke de helft der Kamer om de twee jaren laat aftreden, niet beantwoordende, met het doel om kiezers en Vertegenwoordiging tot den wil van het Ministerie te brengen.

Ik zeg hiervan niet meer, en bepaal mij tot eene andere grief; den toeleg om de ministerieele verantwoordelijkheid te beperken.

Beperking van die verantwoordelijkheid is beperking van de vrijheid van oordeel over regeeringshandelingen. Omtrent dit punt sluit ik mij geheel aan bij hetgeen gisteren de heer Godefroi zoo duidelijk heeft betoogd; ik heb daar niets bij te voegen.

Doch wanneer men de ministerieele verantwoordelijkheid, en dus de vrijheid van oordeel over regeeringshandelingen beperkt door inroeping van het gezag des Konings, dan pleegt men een dubbel constitutioneel misdrijf, en geeft men van gemis aan constitutioneelen geest op dubbele wijze blijk.

Over dit punt, inroeping van den Koning, loopt men soms nog al licht of los heen, en toch is het een punt van het uiterst gewicht. Onbeperkte ministerieele verantwoordelijkheid is in de eerste plaats ten behoeve van het Koningschap ingesteld. Doch het Ministerie laat omgekeerd het Koningschap dienen om de ministerieele verantwoordelijkheid te beperken, dat wil zeggen, de regeeringshandelingen van het Ministerie voor een deel te dekken.

Is dan het beginsel, dat de Koning regeert zonder als medeplichtig aan de handelingen of de schuld van het Ministerie voorgesteld te kunnen worden, niet het ware praerogatief van den constitutioneelen Koning? Het eminente voorrecht en tevens waarborg voor het Koningschap?

Sluiten