Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Andermaal, wellicht voor den derden of vierden keer, wordt de vraag gesteld om het gevoerd diplomatiek beleid goed of af te keuren.

Wat mij betreft, ik kan met twee woorden volstaan. Voor mij wordt die vraag verdrongen door eene andere, door eene vraag van grooter, nog meer algemeen gewicht; door de vraag: mag ik aan een ministerie, dat aan eerste en hoofdbeginselen der grondwettige monarchie mijns inziens niet getrouw is. eene begrooting toestaan J.

Op die vraag kan ik geen bevestigend antwoord geven.

De begrooting werd met 37 tegen 35 stemmen verworpen.

17 Juni. Kabinetsfokmatie. Na het votum, over de begrooting van buitenlandsche zaken gevallen (zie hierboven), had het ministerieHeemskerk zijn ontslag gevraagd en verkregen.

De heer Th. was belast geworden met de vorming van een nieuw kabinet, doch had zelf geene zitting in het kabinet genomen.

De kamer, welke op 29 April gescheiden was, kwam op 9 Juni weder bijeen. Aanstonds vroeg de heer Koorders, het jonge, onstuimige lid, dat na de laatste ontbinding voor Haarlem zitting verkregen had, verlof de regeering te mogen interpelleeren over de

kabinetsformatie.

Den löden Juni, nadat de begrootingswetten waren afgehandeld, werd de interpellatie aan de orde gesteld. De heer Koorders had haar met ongemeene felheid ingeleid, en daarbij den heer Ih. heihaaldelijk in het debat betrokken. Den 17den verzocht de heer J. K. van Goltstein eenige nadere inlichtingen.

Dadelijk daarop had de heer Th. het woord gevraagd.

Ik ben weinig in staat te spreken, maar acht mij verplicht een woord te zeggen over eene gewichtige gebeurtenis van de laatste weken. Geïnterpelleerd op eene waardige wijze door een veteraan der Vergadering, oud parlementair medestrijder, zal ik antwoord

geven zooveel ik vermag.

Over de „richting" van het Kabinet, twijfel ik niet, zullen de Ministers spreken. Maar de „vorming' ?

De heer van Goltstein wenscht ingelicht te zijn: zooals hij het uitdrukte, „over de strekking van de pogingen om het Bewind te formeeren." Hij gewaagde daarbij van de bezwaren ontmoet door hen die vóór mij met voordrachten aan den Koning tot samenstelling van een Kabinet waren belast. Hun wedervaren moet, zegt de geachte afgevaardigde, aan den laatsten samensteller bekend zijn. Ik acht mij niet bevoegd daarover een woord te zeggen. Ik spreek over mijne taak, over de gedachten die mij hebben bestuurd.

„Waarom het nieuwe Kabinet niet uit leden der vooimalige

oppositie geformeerd V"

Mag ik een woord zeggen van mij zeiven? Ik heb nu gehandeld in dezelfde gedachte waarin ik in Maart 1848, toen Koning Willem II met zijn vriendelijk, edel, welwillend gelaat, mij de deed: „Wilt gij mijn Minister van Binnenlandsche Zaken zijn?"

Sluiten