Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ZITTING 1868-1869.

80 September. Adres van antwoord op de troonrede. Onderwijs. Bij de vijfde paragraaf, luidende: „Uwer majesteits bijzondere zorg voor liet onderwijs stellen wij op ïioogen prijs. De wetsvoordracht tot regeling van het hooger onderwijs, die daarvan een vernieuwd blijk zal opleveren, wordt door ons met verlangen tegemoet gezien, waren alle oude, en zeer uiteenloopende, grieven tegen de wet van 1857 op het tapijt gebracht. Van de zijde dergenen, die zich over de werking dier wet bezwaard gevoelden, was, door den heer Gefken, een amendement ingediend, volgens hetwelk aan de paragraaf zoude worden toegevoegd: „Wij mogen echter ons leedwezen niet ontveinzen, dat door Uwer majesteits Hegeering niet aan de Natie tevens het uitzicht wordt geopend op eene wenschelijke tegemoetkoming aan billijke bezwaren, voortvloeiende uit de bestaande wetgeving regelende het middelbaar en lager onderwijs. I)e heer W. van Goltstein, zich voorstander van de hoofdbeginselen der wet van 1857 verklarend, en daarom niet geneigd, het amendement van den heer Gefken, waarbij „een weg was ingeslagen, zonder recht te weten waarheen hij leidde," te aanvaarden, doch tevens gezind te erkennen, dat eene zeer aanzienlijke minderheid in den lande groote, gewichtige bezwaren tegen de wet had, die kamer, noch regeering konden „ignoreeren", had eene nieuwe redactie van de geheele paragraaf voorgesteld: „Uwer majesteits bijzondere zorg voor het onderwijs stellen wij op hoogen prijs. Zij strekt ten waarborg, dat de bezwaren van velen tegen ons lager onderwijs door Uwe majesteit met ernst en belangstelling zullen worden overwogen. I)e wetsvoordracht tot regeling van het hooger onderwas wordt met belangstelling door ons tegemoet gezien."

De heer Th. was lid der commissie, die het adres van antwoord had ontworpen.

De Commissie gaf voor eenige dagen te kennen, dat zij zich haar advies over de amendementen tot aan of tegen het einde van de discussie voorbehield. Wy zijn wellicht nog niet aan het einde, maar tellen den derden dag, en de beraadslaging, tot dusver gevoerd, heeft de Commissie tot het geven van haar advies in staat

kunnen stellen. „

Zij heeft reden te geven, waarom zij niet meer aan den Koning te zeggen heeft voorgesteld dan zij deed, en vervolgens van haar advies over de amendementen.

Vooraf moet de Commissie het karakter van het ontwerp-adies

Sluiten