Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

regeling, is de beteekenis van de uitdrukking die wij aan de Kamer onderwerpen.

De beide amendemejiten werden met groote meerderheid verworpen.

1 December. Beraadslaging over Hoofdstuk IV B der staatsbegrooting voor het dienstjaar 1869 (administratie voor de zaken van den roomsch-katholieken eeredienst.)

De afzonderlijke departementen van eerediensten waren bij koninklijk besluit van 29 Juli 1868 definitief opgeheven. Het beheer der zaken van den hervormden en andere eerediensten was aan den minister van financiën opgedragen; dat der zaken van den roomsch katholieken eeredienst aan den minister van justitie.

Bijdragen aan de kerkgenootschappen. Artikel 168, lid 2, der grondwet.

Ik heb over dit onderwerp zóó dikwerf liet woord gevoerd, dat ik mij hierover, gelijk over andere onderwerpen, van spreken zou kunnen onthouden. Intusschen eene enkele opmerking, en eene enkele vraag.

Vooreerst moet ik mijn groot genoegen en mijne erkentelijke voldoening betuigen over liet schoone, krachtige, afdoende antwoord, dat wij van de Regeering hebben ontvangen; een antwoord, dat van wezenlijken vooruitgang getuigt. Niet enkel woorden, maar daad.

Vrijheid van de kerkgenootschappen, dat is hetgeen ik sedert zoo vele jaren verlangde. Niet zoodanige vrijheid als die welke door den heer van Nispen gevreesd werd: eene vrijheid, volgens hem, om de Kerk te berooven. Maar eene wezenlijke vrijheid; op geenerlei wijze door het Staatsbestuur belemmerd; eene vrijheid van handelen en van bezit, even onaantastbaar als die van ieder ander particulier genootschap.

Met groot genoegen zag ik de Ministerien van Eeredienst, na eene korte verschijning, weder verdwijnen. Een Ministerie van Eeredienst, eene Fransche instelling, moest eer nog dan zoo menige Fransche verordening bij ons afgeschaft zijn. In Frankrijk, in een Staat als Pruisen, stel ik mij een Ministerie van Eeredienst voor. Maar in ons Land ? En in ons Land niet één, maar twee Ministerien van Eeredienst!

Het stelsel van Ministerien van Eeredienst steunt op het mijns inziens valsche begrip, dat de kerkgenootschappen een vertegenwoordiger moeten hebben in het politiek Bestuur. Maar mijns inziens moet eene Kerk noch eenig politiek karakter noch eenig deel aan het bestuur van den Staat hebben, zoo min als de Staat deel behoort te hebben aan het bestuur van de Kerk.

Ik verblijd mij over de afschaffing van het besluit van 1824. Den oorsprong van dat besluit nagaande, zal men denkelijk ontwaren, dat daarbij niet een geest van vrijheid, maar van tyrannie over de Kerk geleid heeft.

Sluiten