Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Is het de taak van het Gouvernement te waken dat er geene godsdienstige of kerkelijke verdeeldheid ontstaV Moet uien dat niet overlaten aan vrije ontwikkeling van ieders overtuiging? Ik zou niet wenschen dat de Regeering door eene al te liberale aanbieding van subsidien tot scheiding uitlokte; doch aan de andere zijde, waar gevestigde gemeenten zijn bij welke blijkt dat zij de kosten harer kerkelijke godsvereering niet kunnen bestrijden, daar zou ik mild zijn in verleening van onmisbare hulp.

Eindelijk eene vraag, in den meest eenvoudigen vorm, aan de Ministers. Heeft eene nieuwe kerkelijke gemeente, om op gelijken voet met andere te komen, noodig zich aan de wet van 1855 tot regeling en beperking van het recht van vereeniging te onderwerpen? Of kan zij volstaan niet betrachting van het laatste lid van art. 1 van de wet van 1853, die omtrent de kerkgenootschappen 1 Welk is het gevoelen der Regeering?

Ik zou ook kunnen vragen, hoe, wanneer een kerkgenootschap, dat is eene vereeniging van eene meerderheid van gemeenten, zich vestigt? Doch ik bepaal mij tot de vraag in den eenvoudigsten vorm.

De heer van Nispen bleef de opheffing der departementen van eeredienst betreuren.

Terecht heeft de Minister van Financien gevraagd, door welke Ministerien voor de vrijheid der kerken het meest is gedaan: door die waarin afzonderlijke Ministers van Eeredienst gezeten waren? De enkele herinnering geeft het antwoord.

Het komt in de politiek niet te pas dankbaarheid te verwachten. Hij die op dat gebied goed doet, doet niets dan zijn plicht. Maar hetgeen ons wel te pas komt, is de geheugenis, in de snelle opvolging en den drang der gebeurtenissen van onzen tijd, te verlevendigen.

De heer van Nispen hoorde ik vragen, of hetgeen in 1850 en eerstvolgende jaren gedaan werd niet moet worden toegeschreven aan den indruk der Fransclie omwenteling van 1848, aan den algetneenen, dreigenden toestand van Europa, die, zoo als hij onderstelde, niet toeliet anders te handelen dan uien deed.

Bij nader inzien zal de spreker zelf erkennen, gelijk ieder wie die jaren heeft beleefd, dat men, bij hetgeen men voor de vrijheid der kerkgenootschappen toen in stand bracht of voorbereidde, zoo weinig gedreven werd, dat men integendeel om dat te doen hetgeen tot stand gebracht of voorbereid is, een zeer grooten tegenstand te overwinnen had. Ik behoef den terugslag van dien weerstand in 1853 niet voor den geest te roepen.

2 December. Beraadslaging over Hoofdstuk VIIC der staatsbegrooting voor het dienstjaar 1869 (administratie voor de zaken van den hervormden en andere eerediensten.)

Uit de rede van den Minister ontwaar ik, dat bij sommige leden de meening bestaat alsof op het Hervormd kerkgenootschap de

Sluiten