Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

De onderhandelingen duurden met tusschenpoozen het geheele jaar 1804; eindelijk werd de Hannoversche Regeering, ongenegen zelve te bouwen, niet gewoon concessie te verleenen, overgehaald om zich tot het laatste, voor de lijn bij het traktaat aangewezen, te verbinden.

Inderdaad bestond in 1865 uitzicht op concessie-aanvrage, doch de gebeurtenissen van 1866 hebben dat doen verdwijnen.

Nu zie ik in de Memorie van Toelichting, dat in Friesland en Groningen een Comité is gevormd om den aanleg te bevorderen van het ontbrekende, voor Pruisen niet minder dan voor ons nuttige stukje spoorlijn. Is dat comité op den weg om kapitaal te vinden, dan zal ik het met zijne oprichting en werking geluk wenschen.

Overigens stem ik geheel in met de heeren van Beyma en Jonckbloet, dat het hier geldt eene aangelegenheid van algemeen belang, geenszins hoofdzakelijk dat van de provinciën Friesland en Groningen. Wij hebben den spoorweg niet aangelegd tot Nieuwe Schans, opdat hij daar dood loope, maar opdat hij een eerste schakel zij van doorloopend handelsverkeer met geheel noordelijk Duitschland.

Misschien bestaat er op dit oogenblik niet zooveel waarschijnlijkheid als in 1865 dat concessie zal worden gevraagd, schoon, zoo het comité slaagt om kapitaal bijeen te brengen, het aan aanvragers niet haperen zal. Doch er zijn andere meer gunstige teekenen dan in 1864. Het Hannoversche gouvernement was van eene voortzetting naar Oldenburg en verder afkeerig. Het Pruisische gouvernement, meen ik, niet. De Minister kan ons denkelijk daarover inlichten. Wordt de weg naar Oldenburg aangelegd, zal het dan niet mogelijk zijn eene combinatie met de aanleggers te vinden voor den bouw van het stuk tusschen Nieuwe Schans naar Ihrhove? Ongetwijfeld hebben zij, die naar Oldenburg, Bremen en Hamburg bouwen, belang dat de leemte tusschen onze grens en de Westbaan niet blijve bestaan. Indien eene dergelijke combinatie kan gevonden worden, is dan de exploitatie aan moeilijkheden onderhevig? Zij zou eene lastige zaak worden wanneer de exploitatie van de zijde van Pruisen moest geschieden; maar waarom niet van onze zijde? Dat was het denkbeeld bij de onderhandelingen van 1864. Voor onze Exploitatie-maatschappij ware het slechts rechtstreeksche voortzetting van haren dienst. Het eind is te klein om op zich zelf geëxploiteerd te kunnen worden.

De aansluiting van Pruisen bij Enschedé of de Glanerbrug. Toen wij in 1864 onderhandelden, scheen Pruisen niet ongenegen zelf den weg te leggen van onze grens naar Munster of Rheine. De meeste belangen in Pruisen verklaarden zich toen, in overeenstemming met ons, voor de richting naar Munster. Maar er waren twee gezelschappen, die concessie vroegen, waarvan eene met onze Exploitatie-maatschappij in verband was. De gebeurtenissen van 1866 hebben ook hier versperd, en in zeker opzicht erger gedaan; zij hebben voor Pruisen het belang verzwakt, nu de lijn Almelo— Salzbergen van onze grens af eene Pruisische lijn geworden is.

Sluiten