Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

In de laatste jaren is in het paviljoen op verzoek van de Maatschappij van Nijverheid plaats aan eene andere verzameling gegund. Ik herinner mij in het algemeen dat verzoek. Mijn eerste antwoord was, meen ik: voeg uwe hoogst nuttige verzameling bij die van de Maatschappij Xatura artis magistra te Amsterdam, en binnen eeni"e jaren zal het eene zeer schoone en volledige verzameling zijn.° Daarentegen bestonden ik weet niet welke bezwaren; maar ik geloof niet dan iemand er toen aan gedacht heeft, daarmede aan het Paviljoen eene vaste bestemming te geven, of het voortdurend behoud van het gebouw als landsgebouw te verzekeren.

Het museum van schilderijen, dat de tegenwoordige Minister als burgemeester van Haarlem in die stad tot stand gebracht heeft, is vrij wat meer waard dan het kleine gedeelte van het museum van het Paviljoen, dat verdient bewaard te worden, een gedeelte waarvoor men waarlijk niet noodig heeft een nieuw lokaal te stichten. Van het gebouw zelf wenschte men zich te ontdoen; wilde niemand het koopen, beter nog het ten geschenke te geven, dan een kostbaren, nutteloozen post voor het Land te behouden.

Artikel 178. Subsidie aan de koninklijke academie van beeldende kunsten, toelagen van oud-kweekelingen dier academie en toelagen voor de opleiding van kunstenaars f 7200.—.

Eene vraag aan den Minister. Hij roept een zijner voorgangers in. Bestaat er overeenstemming tusschen de gedachte, in de Memorie van Toelichting zeer kort uitgedrukt, en de gedachte van den ingeroepen voorganger ?

Deze was van meening dat de Akademie van Beeldende Kunsten «•evorrud moest worden op den grondslag waarop zij tot stand was gekomen. In de zitting der Eerste Kamer van 27 Februari 1865 ontwikkelde hij zijne gedachte tegenover den toenmaligen burgemeester van de hoofdstad; hij noemde hervorming van de Akademie van Beeldende Kunsten eene zaak die hem zeer ter harte ging; een onderwijs, waaraan hij gaarne eene nieuwe toekomst voorbereidde: „In 1864, overeenkomstig hetgeen toen bij de begrooting was medegedeeld, opende ik eene correspondentie met de hoofdstad. Ik vroeg: wat denkt gij voor het vervolg te kunnen doen, wanneer het onderwijs, dat aan de Akademie voor Beeldende Kunsten gegeven wordt, hervormd moest worden ? Gij hadt te Amsterdam eene stadsteekenschool; daarbij zijn hier later andere vakken gekomen: schilderen, graveeren, architectuur en beeldhouwen, en dat is te zamen de Akademie van Beeldende Kunsten geworden. Neem nu eens aan dat het Gouvernement zorge voor het onderwijs in schilder-, bouw- en beeldhouwkunst, zijt gij dan genegen de teekenschool voor rekening van de stad te behouden en uit te breiden, zooals in verband met het nieuwe onderwijs zal behooren? Ik stel mij voor dat het beginsel en de grondslag van alle onderwijs in kunst — ik neem nu kunst in de vierledige beteekenis, waarvan ik zooeven sprak — het teekenen is: eene goede teekenakademie is voorwaarde

Sluiten