Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

f 3200 wenscht de ondergeteekende tot f G000 te verhoogen, met behoud van den post van f1200. Hij verzoekt liet verhoogde cijfer te beschouwen als een hem toegestaan crediet, waarvan geen gebruik zal worden gemaakt zoo de overwegingen niet tot zoodanige uitkomst leiden, dat de som geheel of gedeeltelijk noodig zal wezen."

De toenmalige Minister ontving aan zijn Departement eene deputatie van kunstenaars, leden der akademie; aan het hoofd den geestigen man, wiens overlijden wij onlangs te betreuren hadden, den beeldhouwer Royer. Hij droeg in zijn eigenaardig trouwhartig Belgisch dialect de verbetering voor die naar het inzien der Commissie de akademie behoefde. „In de eerste plaats," zeide hij, „moet de kunstenaar een in allen deele beschaafd man zijn."

Daartoe is sedert dien tijd de gelegenheid geopend door het middelbaar onderwijs, en, mij dunkt, het onderwijs, de gelieele inrichting van de Akademie van Beeldende Kunsten mag de algerneene kennis en beschaving, verkrijgbaar aan de hoogere burgerscholen, bij de leerlingen onderstellen.

Amsterdam is de plaats bij uitnemendheid, waar eene Akademie van Beeldende Kunsten moet gevestigd zijn. Amsterdam heeft meer hulpbronnen voor de kunst dan eenige andere stad in ons land, en de geschiedenis wijst haar ook in dit opzicht als hoofdstad aan.

Wij zijn thans zóó gelukkig, dat de Minister aan het hoofd dier stad heeft gestaan, zoodat wij, welke moeilijkheden ook vroeger in den weg mogen geweest zijn, kunnen verwachten dat hetgeen hij aan Amsterdam, ter medewerking tot een zoo groot en schoon doel, zal voorstellen, gemakkelijken ingang zal vinden.

Nader:

Er bestaat een misverstand. Ik heb niet gezegd dat het stichten en onderhouden van eene teekenakademie als grondslag ter vorming van kunstenaars, schilders, architecten, beeldhouwers, graveurs, eene gemeentezaak is. Ik heb gezegd dat het Amsterdam bijzonder waardig schijnt, Amsterdam, van ouds rijk in kunstenaars en hunne werken, dat steeds eene groote teekenschool had, dat de Akademie van Beeldende Kunsten bezit, die zorg zich aan te trekken.

Men twist, of de Akademie eene plaatselijke- dan eene Rijksinstelling zij. Zoo men wil, ja en neen. Onder eene gansch andere dan de tegenwoordige wetgeving heeft Koning Willem I bepaald dat er te Amsterdam en ook in andere steden teekenscholen of akademien zouden zijn. Een gering gedeelte der kosten van die instellingen, door de plaatselijke besturen te vestigen, zou uit de schatkist worden betaald. Nu begrijp ik dat eene kleine middelmatige stad zegt: wij hebben onze middelen voor andere behoeften noodig; wij moeten voor onze grachten, straten en andere dagelijksche belangen zorgen; wij moeten den kring van hetgeen volgens de tegenwoordige wet gemeentezaak is zoo nauw mogelijk trekken. Maar de hoofdstad'? Hetgeen de laatste spreker van de

.

Sluiten