Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

niet zou te boven gaan; in afwachting van wettelijke voorziening omtrent den weg Batavia—Buitenzorg.

Ik spreek vóór ilen Minister, om hem in de gelegenheid te stellen dat bezwaar zoo veel mogelijk op te lossen. Dat kan geschieden door een amendement als hetgeen door den heer van Kerkwijk is voorgesteld; maar het is ook mogelijk dat het gebrek aan overeenstemming tusschen de intentie der Regeering en de wet worde opgelost door de handelwijze, die het Gouvernement jegens den concessionaris of de Maatschappij zal betrachten. Ik heb het volle vertrouwen, dat het Gouvernement in dat opzicht doen zal wat het kan, en het is bij machte, om aan zijne intentie het beoogde gevolg te verzekeren. Daarom, Mijnheer de President, indien tegen mijn wensch het amendement mocht afgestemd worden, zal ik uit dien hoofde nog niet het wets-ontwerp verwerpen. Ik zie geen bezwaar voor den Minister, zoo ik mij in zijne plaats denk, dat hij zich bij het amendement nederlegge; ik zie niet, dat liet Gouvernement eenige schade kan lijden bij hetgeen tot zijne ondersteuning wordt voorgesteld; maar blyft de Regeering staan op hetgeen is geschied en verklaart zij, hetgeen mijns inziens in het wets-ontwerp ontbreekt of niet genoegzaam verzekerd is, in hare handeling met de Maatschappij te zullen aanvullen, ik zal ook in dat geval voor het ontwerp stemmen.

20 April. Ontwerp van wet tot herziening van de tabel, bedoeld in artikel 99 der kieswet (indeeling der kiesdistricten).

De heer Heemskerk had, bij wijze van amendement op het ontwerp, eene verlaging van den census voorgedragen.

Ik hoorde den geachten spreker uit Gorcum zeggen: „mijn amendement is niet uit de lucht komen vallen". Yoor mij wél, Mijnheer de President. Toen ik eergisteren avond het amendement ontving, herinnerde ik mij wel, dat in het Voorloopig Verslag verandering van den census ter sprake was gebracht; maar hoe dikwijls gebeurt het, dat men in de sectien bij gelegenheid van het onderzoek van een wetsvoorstel ook andere onderwerpen behandelt, zonder dat iemand er aan denkt, dat zij aanstonds of in hetzelfde voorstel hunne regeling kunnen en behooren te vinden ? Niemand zal het mij ten kwade duiden, zoo ik bij de lezing van het amendement mij de verwijten herinnerde van anti-monarchalen, democratischen, republikeinschen geest, gericht aan den Minister die in 1850 den tegenwoordigen census voordroeg; aan den Minister die toen zeide, dat een rechtvaardig en verstandig Gouvernement liever ongeschikte kiezers moet willen insluiten, dan geschikte kiezers buitensluiten; aan den Minister die zeide, dat uit dien hoofde de wetgever zoo laag mogelijk behoort te gaan. Ik zeg niets van den weerschijn die mij bij de lezing vau het amendement in de oogen

12*

Sluiten