Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

hetgeen reeds uit mijne vorige rede moet gebleken zijn, dat ik op dit oogenblik niet eisch dat de Minister bij deze voordracht alle belasting van hetgeen men professions libérales noemt opheffe. De oorspronkelijke gedachte dezer belasting, welke de gildebelasting verving, was, alléén bedrijven van handel en nijverheid te treffen; doch de Fransche wet van Brumaire strekte zich reeds, in strijd daarmede, tot „une pro fession quelconqué' uit; en het is niet van den Minister te verlangen, dat hij thans bij deze voordracht tot het oorspronkelijk beginsel terugkeere. De patentwet doorziende, ontmoet men de eene anomalie na de andere. Ik sprak bijv. van de artsen, die zeker een profession libérale uitoefenen. Na „artsen" worden in 110. 32 van tabel XV officieren van gezondheid genoemd. Nu is bij ons niemand officier van gezondheid dan krachtens eene aanstelling van Staatswege, en toch worden de officieren van gezondheid onder de patentplichtigen begrepen. Misschien eene vergissing; onder „officiers de santé" verstond men in Frankrijk, meen ik, hen die men hier plattelaudsheelmeesters noemde; hetgeen echter niet wegneemt, dat „officier van gezondheid" in de wet de beteekenis moet hebben, die wij aan het woord hechten.

Ik laat nu den wijden kring der professions libérales daar, en bepaal mij tot dien van het onderwijs; daarin verlaat de Minister de bepaald en juist omschreven grens, welke de wet trekt.

De Minister herinnert in zijne Memorie van Toelichting, hetgeen uit art. 3 van de wet van 1819 blijkt, dat vrij van patent zjjn ,,de uit 's Rijks-, gemeente- of dijk- en polderkassen bezoldigde openbare ambtenaren en bedienden, waaronder ook de hoogleeraren, onderwijzers en bedienden aan de hoogere en lagere scholen".

In het voorbijgaan zal ik zeggen, dat het niet noodig schijnt bij eene herziening, zooals nu wordt voorgedragen, „middelbare" scholen in te voegen; want onder de leeraren aan hoogere en lagere scholen zjjn die aan de middelbare scholen begrepen. Ook waren de laatste onder de wet van 1806 vervat.

De grond van vrijdom, volgens de wet van 1819, is openbare dienst; zooals eveneens bijv. bij de beroepen, onder nos. 95—101 van tabel XIV opgenoemd, zoodra zij ambtshalve worden uitgeoefend. Een wèl omschreven en juist begrip. Zij, die daaronder vallen, kunnen niet aan de heffing onderworpen zijn, tenzij eene belasting op ambtsbezoldigingen worde gelegd; hierin toch zou het patent voor die ambtenaren ontaarden.

De Minister verlaat dat wettelijk begrip; omdat de wet de openbare schoolonderwijzers vrijstelt, moeten wij, meent hij, ook de bijzondere schoolonderwijzers vrijstellen. Ik zeg opnieuw, Mijnheer de President, indien de Minister die grens overschrijdt, moet hij verder gaan, en, gelijk de geachte afgevaardigde uit Winschoten wil, alle onderwijzers vrijstellen. Mij dunkt, daaraan kan de Minister zich niet onttrekken.

Dat de Minister op eene moeilijkheid, zooals hij ons zeide, bij

Sluiten