Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Minister, dit plan te verdedigen. ïk wil aan die taak niets ontnemen, en zal mij dus enkel tot eenige opmerkingen bepalen.

Vooreerst betreffende de grondgedachte. De grondgedachte van dit plan, gelijk van dat voor Rotterdam, is concentratie van spoorwegen scheepvaartverkeer. Wij hebben bij Rotterdam kunnen opmerken, en de ondervinding met de hoofdstad sedert eenige jaren heeft het andermaal bewezen: het kost soms moeite, eene weldaad door eene groote stad te laten ontvangen. Wel heeft het oordeel van den gemeenteraad van Amsterdam in de jongste dagen een keer genomen; doch de kamer van koophandel schijnt in haar verzet te volharden. Mag dat uitermate bevreemden? Men verplaatst zich in gedachte niet dan bezwaarlijk en langzaam uit den toestand waarin men zich bevindt in een geheel nieuwen toestand. Het hoofdbeginsel van het voorgestelde plan is concentratie van spoorweg- en scheepvaartverkeer. Hij die daaraan niet hecht, gelijk sommige Rotterdamsche heeren daaraan voor Rotterdam niet hechten, kan niet wel, evenmin als hij die in een oud scepticisme omtrent het Noordzeekanaal volhardt, in de werken en de kosten, waarom het hier te doen is, toestemmen.

Aan mijne zijde is het anders. Ik mag, zonder van eenig ander antecedent te gewagen, herinneren, dat ik, zoo ik meen in 1864, een bezoek deed aan Amsterdam, met het plan, wat de hoofdzaak betreft, in de hand; dat ik toen op de wandeling langs de lijn van het station van den Hollahdschen spoorweg af tot Zeeburg vergezeld werd door den toenuialigen burgemeester, door den wethouder voor de stadswerken en door de ambtenaren van den gemeentelijken waterstaat, en dat het mij bij de hooge ingenomenheid, die ik voor het plan had, en die ik voelde klimmen toen ik het op het terrein vergeleek met hetgeen het in de toekomst aan Amsterdam scheen te beloven — dat het mij verwonderde de groote koelheid te ontwaren van den kring, waarin ik mij bevond — een officieel Amsterdamsche kring, niet de burgerij, — eene koelheid, die mijne ingenomenheid evenwel niet heeft kunnen temperen.

Eene tweede opmerking betreft het zoogenaamde open havenlront.

Hecht men daaraan niet te veel waarde V Is de vrees voor belemmering van de scheepvaart, bij plaatsing van het personenstation in het havenfront, wel genoegzaam gegrond?

Men wil het havenfront open houden voor tweeërlei bestemming, als aanlegplaats en voor de beweging der schepen. Wat de verbinding van water en vaart met de binnengrachten van Amsterdam aangaat, moet men, geloof ik, erkennen dat het plan aan Amsterdam meer geeft, dan Amsterdam op dit oogenblik bezit. Maar de scheepvaart voor Amsterdam? Wordt door het innemen van mogelijk 20 bunders wateroppervlakte de ruimte voor liggen en beweging te zeer belemmerd?

Wat het eerste betreft, zal het station eene aanlegplaats van omstreeks 1500 ellen lengte aanbieden, die vrij wat bruikbaarder zal zijn dan de tegenwoordige.

Sluiten