Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

gesteldheid volkomen bekend, wellicht als deskundigen beter in staat zijn dan ik om de belangen van Amsterdam te beoordeelen, en juist daarom wèl zullen doen mijne bedenkingen op te lossen.

Met de plaatsing van een station aan het eind eener ceintuurbaan, zal de exploitatie kostbaarder worden. En wie draagt die kosten? Is het niet de handel? Wil men dien zonder noodzaak belasten? Al waren dus ook aan de plaatsing van het station in het havenfront meer bezwaren verbonden dan ik mij voorstel, dan nog zou, dunkt mij, het groote belang, dat daardoor bevorderd wordt, die bezwaren moeten doen trotseeren en niet doen besluiten tot eene plaatsing elders, gesteld al dat deze minder moeilijk en minder kostbaar zou zijn.

30 Juni. Kegeling der werkzaamheden.

Het ontwerp tot regeling van het onderwijs bij de koninklijke militaire academie was aan de orde gesteld. Enkele dagen geleden was reeds eene poging gedaan om het ontwerp van de dagorde af te voeren, doch mislukt. Thans stelde de heer Nierstrawz wederom voor, de behandeling van het ontwerp aan te houden. Hij vreesde, werd het ontwerp thans in beraadslaging gebracht, eene vluchtige behandeling; te meer omdat „een paar specialiteiten" op het appel ontbraken.

Ik herhaal hetgeen ik de eer had den vorigen keer te zeggen. In mijn persoonlijk belang ware ik gaarne vrij. Maar is er in het belang der zaak reden om van het besluit van eergisteren terug te komen ?

De heer de Iloo acht het wenschelijk en raadzaam sommige verkeerde opvattingen tegen te gaan. Zullen wij de zaak daarom tot de volgende zitting verschuiven?

De geachte spreker is bevreesd voor vluchtige behandeling van de zijde der leden, die eergisteren tegen behandeling van het voorstel van wet stemden. Is die vrees gegrond? Ik durf dat niet aannemen. Ik mag onderstellen en moet aannemen, dat zij, die wenschten niet te behandelen, na het besluit der Kamer ernstig deel zullen nemen aan een ernstig debat over het gewichtige onderwerp.

De geachte spreker ontleent een betoog aan de wenschelijkheid, dat sommige punten betreffende buitenlandsche militaire inrichtingen nader onderzocht worden. Hetgeen daartoe noodig is ontbreekt aan niemand minder dan aan den geachten spreker. Hij wil ons tijd gunnen; hij zelf is zoo bekend met de instellingen elders, dat hij ons eene tegemoetkoming wil geven, die hij niet behoeft; en waarvan wij in het belang der zaak ons moeten onthouden gebruik te maken. De zaak is voldoende geïnstrueerd. Ik kan dus geene genoegzame reden vinden om, ten aanzien van een ontwerp, in staat van wijzen gebracht, aan den Minister van Oorlog, zoo uit-

Sluiten