Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

dan na oen lager A te hebben afgelegd; dan is er eeue opklimmende reeks van examina.

De heer de Roo heeft, tot bescherming van het amendement, z9n scepticisme wel wat ver gedreven. In art. ij van het wetsontwerp wordt gelezen: het examen betreft de vakken vermeld onder u—p en /• van art. 17 der wet van 18(53, tot regeling van het middelbaar onderwijs. Onder die vakken noemt art. 17 In de eerste plaats „de wiskunde". Het is dus, zegt de heer de Roo, onbepaald, hoever dat examen zal gaan; de examinator voor de Militaire Academie kan het zwaar of licht maken.

Is dat scepticisme gegrond? Wanneer, met aanhaling van een artikel der wet van 18(53, het examen daar voorgeschreven, hier bevolen wordt, dan zal toch wel hetzelfde examen bedoeld zijn. Waren, zonder aanhaling der wet van 1863, enkel de vakken opgenoemd, dan zou het van den examinator in de wiskunde voor de Academie afhangen, of hij op den laagsten trap blijven dan tot den hoogsten opklimmen wilde. Zooals de Minister het artikel voorstelt, moet het karakter van het examen hetzelfde zijn als dat van het eindexamen der hoogere burgerschool. Twijfel schijnt mij niet wel mogelijk. Intusschen wil ik wel erkennen, dat ik de bedoeling van den Minister voor anderen gaarne duidelijker uitgedrukt zag! Dit zou geschieden, zoo de tweede alinea van art. 6 bijv. aldus luidde, gelijk ik in de Commissie van Rapporteurs, voorstelde: „Het is gelijk aan het eindexamen der hoogere burgerschool met vijfjarigen cursus, omschreven bij alinea 3 van art. 17 der wet van 1863, en betreft voorts het exerceeren enz.

Drieërlei bedenking tegen de verplichting om, alvorens tot het toelatingsexamen toegelaten te kunnen worden, een bewijs bij te brengen dat men het eindexamen der hoogere burgerschool voor eene provinciale commissie heeft afgelegd.

Vooreerst zullen wij dan een dubbel examen hebben, een dubbele plaag, zooals het examen genoemd werd, dubbel zonder eenig nut hoegenaamd. Het toelatingsexamen moet toch een volledig examen zijn. Het is een vergelijkend examen, en bij een vergelijkend examen moet men, om rechtvaardig te blijven, nog veel stipter zijn dan bjj een gewoon examen. Men kan daarbij dus niets wezeljjks verzaken. Dit wil in mijn geest niet zeggen dat men in ieder vak afzonderlijk uitvoerig zal moeten examineeren, evenmin als dit, naar mij voorkomt, bij de eindexamens der hoogere burgerschool noodig is. De provinciale commissie kan een zeer omslachtig, maar ook een eenvoudig examen afnemen. Men kan in ééne vraag samentrekken, hetgeen, wel beantwoord, genoegzaam verstand van meer dan één vak te gelijk openbaart. Dit kan en moet hier te eer geschieden, daar de taak van de hoogere burgerscholen met vijfjarigen cursus niet is vorming van specialiteiten, en alzoo ook het eindexamen niet hoofdzakelijk het bezit van bijzondere kundigheden, maar algemeene ontwikkeling van den geest, door gezamenlijke beoefening der voorgeschreven vakken te weeg gebracht, moet doen bljjken"

Sluiten