Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

de commissarissen des Konings benoemd, bestuurd worde. Evenmin, als de verdenking zou gegrond zijn dat de geachte spreker en zijne medevoorstellers door wantrouwen bestuurd worden in de commissie die liet examen van toelating bij de Militaire Academie zal afnemen. Noch vertrouwen, noch wantrouwen. Ik heb mij ook niet veroorloofd kritiek uit te oefenen over de wijze van examineeren der commissien, die ik niet genoegzaam ken. ïk heb in het algemeen beweerd, dat, bij de groote vermenigvuldiging der examina, langzamerhand een eenvoudiger weg zal worden gevonden, dan dien men aanvankelijk is ingeslagen. In den beginne is omslachtig hetgeen men daarna allengs in korter tijd en met minder woorden leert doen.

De geachte spreker drukt bijzonder op een argument, ontleend aan de wet tot regeling van den ijk. Voor de tweede maal werpt hij mij tegen, dat zoo ik bedenkingen heb tegen zijn amendement, ik mij tegen art. 23 dier wet had moeten verzetten. Wordt men dan, zoo men wellicht niet tegenwoordig was of niet heeft opgelet, uitgesloten van de vrijheid om bij een ander voorstel eene gegronde bedenking mede te deelen?

Bovendien is het aangehaalde voorbeeld hier in geenen deele toepasselijk. Het examen, dat de aspirant volgens de wet omtrent den ijk vooraf moet hebben ondergaan, is een ander dan hetgeen men hem als aspirant voor den ijk afneemt; hij ondergaat het examen A niet opnieuw. Het toelatings-examen voor de Militaire Academie zal dat zijn wat anders door de provinciale commissie als eindexamen der hoogere burgerschool afgenomen wordt.

Ten laatste. De geachte spreker legt aan den Minister van Oorlog eene berekening voor van tijd en kosten, door het toelatingsexamen voor de Militaire Academie, bij niet-aanneming van zijn amendement, vereischt. Ik wilde slechts ééne tegenbedenking inbrengen. Hetzelfde, dat de geachte spreker bij niet-aanneming van zijn amendement voorspelt, zal toch moeten geschieden; de jongelieden zullen, zooals ik reeds in mijne eerste rede aantoonde, allen toch door de commissie van toelating moeten geëxamineerd worden. En wel bij vergelijking, zoodat men in menig opzicht nog nauwkeuriger, nog puntiger, dan bij het eindexamen der hoogere burgerschool, moet zijn, ten einde in allen deele de rechtvaardigheid te betrachten. Het ontwerp vordert slechts e'én examen, bij aanneminovan het amendement zal men eene dubbele rekening van tijd en kosten hebben; eerst voor de provinciale commissien, en ten tweeden male voor de commissie van toelating aan de Militaire Academie.

5 Juli Artikel 2. Omschrijving van de vakken, waarin onderwijs zou worden gegeven. Het laatste lid bepaalde: „voorts wordt aan de kadetten gelegenheid gegeven om, overeenkomstig het verlangen der ouders of voogden door tusschenkomst van de kerkgenootschappen onderwijs in den godsdienst te ontvangen."

Door de laatste alinea wil de Minister te gemoet komen aan

Sluiten