Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

A\ at de taak van de administratie der Eerediensten betreft, werd ik uitermate verrast bij het lezen in de Memorie van Toelichting van het wets-ontwerp hoofdstuk VII C: „De vereenvoudiging is ver genoeg gevorderd, om aan de opheffing van de beide thans bestaande „buitengewone" afdeelingen te kunnen denken; maar de ondergeteekende, oordeelende dat de opheffing dier afdeelingen van Eeredienst gelijktijdig moet geschieden, heeft moeten wijken voor het bezwaar, dat ontleend wordt uit het Keizerlijk decreet van 16 Juli 1810".

Ik sloeg dat decreet op. Het handelt over le Diode d'autorisation pour l emploi du produit des retnboursemens auv communes et aux Jahriques.^ Indien die lichamen uitgeleende gelden terug ontvangen, zullen zij die mogen besteden op de wijze en geautoriseerd, zooals het besluit voorschrift. Tot aanleg van zoodanige gelden in vaste goederen zal de autorisatie, in andere gevallen bijv. van den prefect te verkrijgen, niet anders verleend worden dan door den Keizer zeiven.

Kon dat decreet de Regeering ophouden? Kon de loop van de beoogde hervorming daarop sluiten? Die vraag is gedaan in het Verslag, en het antwoord van den Minister van Justitie brengt ons, zoo het mij toeschijnt, eene groote schrede voorwaarts. Tot dusverre, nog vóór twee jaren, wanneer er sprake was van de betrekking tusschen het Staatsgezag en de kerkgenootschappen, werd ons een onbepaald veld van ongenoemde wetten en verordeningen getoond. Nu trekt het antwoord van den Minister een kleinen lering van bepaalde voorschriften die men kan nagaan, voorschriften die, zegt men, vooralsnog tusschenkomst van het Staatsgezag in de huishouding der kerkgenootschappen eischen.

De Minister noemt vooreerst het decreet van November 1808. Het is een advies van den Staatsraad, aan den Keizer uitgebracht, ovei de wijze van teruggave — le Diode du remboursement — van renten en schulden van gemeenten en fabrieken. Het stelt ten aanzien van dat remboursement regelen.

De Minister noemt in de tweede plaats het decreet van 30 December 1809, concernant les fabrujues, en ten derde het Keizerlijk decreet van ü November 1813, te Maintz, acht dagen vóór dat de 1* ranschen deze residentie moesten verlaten, eenige maanden vóór dat de Keizer verplicht werd te abdiceeren, genomen. Welke is nu de algemeene strekking van die decreten, voor zoover zij tusschenkomst van het Staatsgezag onderstellen of gebieden? Controle over het bestuur van de goederen der Kerk. Het decreet van (j November 1813 is, wat de controle betreft, zeer bjjzonder uitgewerkt en beantwoordt in alle deelen aan het opschrift, sur la conservation des biens que possède le clergé dans plusieurs parties de 1'Empire. Lene bewaring, naar het schjjnt, aan de kerkbesturen slecht vertrouwd.

Het grondbeginsel, de basis dier decreten van 1808, 1809, 1810 en 1813 is het Napoleontisch Keizerlijk kerksysteem. De Kerk is

Sluiten