Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

eene staatsrechtelijke corporatie; le culte is service public, en dus door het Rijksgezag geregeld. Zijn dat onze beginselen? Ik spreek op dit oogenblik niet van de Grondwet; wij hebben het Koninklijk besluit van 16 Augustus 1824 (Staatsblad no. 45) afgeschaft. Het beginsel van dat besluit was hetzelfde als dat van die decreten, als dat van het Keizerlijk staatsrecht. De considerans zegt het: „In aanmerking nemende dat eenige kerkbesturen geheel hebben uit het oog verloren, dat zij slechts zijn de beheerders der kerkegoederen, en dat hunne daden zich niet verder dan tot die van een eenvoudig beheer kunnen uitstrekken." Zoo die woorden nog voor verschillende uitlegging vatbaar waren, dan wordt alle twijfel opgeheven door een besluit, dat het gevolg is geweest van het besluit van 1824, en, zooals ook behoorde, te gelijk met het besluit van 1824, in 1868 door den Koning is afgeschaft, dat van 28 Augustus 1843, hetgeen de bepaliugen van het besluit van 1824 uitstrekt over de kerkelijke seminaria. Het besluit van 1843 overweegt onder andere; „Dat het een vaststaand beginsel is, dat de administratien van openbare of onder openbaar gezag geplaatste instellingen, godsdienstige gestichten, kerken of armeninrichtingen, geene bevoegdheid hebben om te koopen, te verkoopen, — dadingen te treffen, geldleeningen met of zonder verband van goederen, of effecten te doen, of eenige daden van buitengewoon beheer te verrichten, zonder daartoe eene voorafgaande machtiging van de Regeering te hebben verkregen."

Ziedaar de basis, die door de afschaffing in 1868 weggebroken is. En nu zouden Fransche decreten, welke alleen uit dat vernietigde^ beginsel voortkwamen, eene noodzakelijke hervorming, door de Grondwet gevorderd, beletten? Ik heb toch enkel deze vraag aan de Ministers te onderwerpen. Duldt de Grondwet, dat de verschillende kerkgenootschappen anders dan volgens één recht, één gemeen recht, door het Staatsgezag, worden behandeld? Ware verschillend recht met de Grondwet bestaanbaar?

9 December. Hoofdstuk V (binnenlandsche zaken) der staatsbegroting. Afdeeling IV (medische politie).

Inrichting der examens. Vereenvoudiging.

Een verzoek aan den Minister betreffende de inrichting der examens, het thema behandeld op bladz 6 van de Memorie van Antwoord; het verzoek dat de Minister gelieve te overwegen in hoever vereenvoudiging kunne bevorderd worden. Het is niet alleen te doen om examens, voortvloeiende uit de geneeskundige wetgeving van 1865, maar evenzeer om die, welke ten gevolge van de wet van het middelbaar onderwijs en andere wetten nu of in het vervolg van Staatswege af te nemen zijn.

Wij zijn, wat die examens betreft, in het eerste stadium, in een stadium van proefneming. Moeten wij niet trachten partij te trekken van de ondervinding, ik zal er bijvoegen van de teleurstelling, die in sommige opzichten reeds ons deel was?

i

i

Sluiten