Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Hoe de examens konden vereenvoudigd worden, was den minister niet helder. Minder examinatoren aan te stellen, zou — meende hij — aan de deugdelijkheid van het examen te kort doen. Dan, men kon toch „uit den Haag niet aan iedereen voorschrijven, hoe hij examineeren moest."

Ik moet vreezen door den Minister niet juist verstaan te zijn ; ik geloof dat ik anders een ander antwoord zou hebben erlangd.

Mijne vraag was deze: Wanneer het programma van examen een aantal vakken noemt, moet dan het examen zóó worden afgenomen dat in ieder vak door eene specialiteit ondervraagd worde, om te onderzoeken of de candidaat in dat vak eene aanstaande specialiteit zij V Komt het niet veeleer hierop aan, of, in het algemeen beschouwd, de candidaat verdiene onder diegenen opgenomen te worden aan wie de maatschappelijke werkkring, waartoe hij zich voorbereidt, geopend kan worden?

Ik heb juist niet — zoo als de Minister het opvat — gezegd: begin met vermindering van het aantal examinatoren. Mijne meening is, in bedenking te geven of men, bij samentrekking van vakken en vragen, een zoo groot aantal examinatoren zou behoeven.

Ik heb den Minister niet verzocht, „van hieruit de examens te organiseeren," maar in overweging te willen nemen, in hoever vereenvoudiging kon worden bevorderd. Zooals van zelf spreekt, zal daarby met de bekwame mannen, welke de Koning voor de verschillende examens zal benoemen, in overleg worden getreden, indien de Minister bij overweging mocht vinden dat men den sleur, waarin men aanvankelijk kwam en tot hiertoe voortging, moet verlaten. Dit overleg zij den Minister aanbevolen.

Het hoofdpunt is: zal men laten examineeren door specialiteiten om kunde in bijzondere vakken te doen bewijzen? Of zal men een samenhang van kennis en ontwikkeling constateeren, die, bijeen genomen, tot uitoefening van het beroep in staat kunnen stellen? Dit verzocht ik den Minister in overweging te willen nemen. Ik heb niets anders willen doen.

10 December. Artikel 91. Onderhoud van de rivieren: de Donge, Berkel, Oude IJsel, Eem en Zwarte Water.

Eerste post tot verbetering van zoogenaamd kleine riviertjes. Willekeurige en stelsellooze overneming van een deel van hetgeen volgens het koninklijk besluit van 17 December 1819 taak der provinciën was door het rijk.

De heer van Delden had verzocht, den post grootendeels terug te nemen, totdat het koninklijk besluit van 1819 door eene wet zoude vervangen zijn; alleen voor het Zwarte Water wenschte hi) eene som uitgetrokken te behouden.

Ik heb den Minister tweederlei in bedenking te geven. Het komt neer op hetgeen ik zelf zou meenen te moeten doen, indien ik de discussie van heden ochtend had bijgewoond, na aan de Kamer te hebben voorgedragen hetgeen nu de Minister ons voorstelt.

Sluiten