Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

I. Wat betreft het besluit van December 1819, de vraag, of dat besluit niet behoort te worden vervangen door eene wet. Op tweederlei grond.

Art. 191 der Grondwet zegt, dat het algemeen en bijzonder bestuur van den waterstaat moet worden geregeld door de wet. Ik herinner, dat bij de Grondwet van 1848 het zeer uitvoerig administratief hoofdstuk over den waterstaat is vervangen door vier artikelen, eene verdubbeling nog wel van hetgeen de commissie voor de Grondwetsherziening van 1848 had voorgedragen, die het geheele hoofdstuk in twee artikelen liet bestaan, waarvan het 2de voor al de overige artikelen, na het eerste, in de plaats kwam.

De geschillen, of een werk Rjjks- dan provinciaal belang is, of het Rijk dan wel eene provincie verplicht is om te onderhouden, zullen steeds voortduren of vernieuwd worden, zoolang wij dergelijke wet niet hebben.

Ik herinner mij eene ernstige contestatie met de Staten van Noordholland, nadat in 1850 de provinciale wet was uitgevaardigd. „Wij zijn, beweerden zij, vrij van de lasten, die het besluit van 1849 ons oplegt, de provinciale wet bevestigt het niet." De Minister erkende, dat de provinciale wet niet machtigde, maar deed opmerken dat het besluit van 1819 behoorde onder die maatregelen, welke door een van de additioneele artikelen der Grondwet worden in stand gehouden totdat zij wettelijk zijn vervangen.

De Staten van Noordholland hebben, met eenige moeite, ten laatste, gelijk andere Statenvergaderingen, berust. Evenals die van Gelderland, die evenwel na eenige jaren op hetzelfde punt teruggekomen en andermaal tot rust gebracht, later opnieuw den aanval hebben beproefd, en nu bleven aanhouden.

Een andere grond voor vervanging door eene wet is een eisch van rechtvaardigheid.

Indien eene provincie ontheven wordt van de lasten, die het besluit van 1819 oplegt, hebben al de andere het recht de opheffing te vragen. Bij vergeljjking klemt die eisch van rechtvaardigheid zeer sterk. Bij het besluit zijn twee lijsten van werken, waarvan het beheer en onderhoud aan de provinciale Staten zijn opgedragen. Aan Gelderland is niets anders opgelegd dan de Berkel en hare werken en de haven van Harderwjjk; vergelijk daarmede de veel grooter lasten, voor rekening van andere provinciën, van Noorden Zuidholland, van Friesland en Groningen, gebracht.

„Van het besluit van 1819 is, zegt uien, soms afgeweken; waarom zou men het thans niet doen?" Een antecedent is geen regel. Indien men eene verkeerdheid heeft gepleegd, is dat geene reden om die te herhalen. Doch men behoeft aan verkeerdheid in het geheel niet te denken. Zoo men afweek, kon daarvoor een bijzondere grond bestaan; een Rijksbelang, om voor het Rijk te nemen wat aan de provincie was opgedragen. Maar de reden, welke de Staten van Gelderland inroepen, ontheffing der provincie, kan door alle provinciën voor alle opgedragen werken ingeroepen worden.

thoruecke, Parlementaire redevoeringen, 1869—1870. 14

Sluiten