Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

kosten dragen? heb ik dikwijls oorlog gevoerd in deze Kamer en met mijne anibtgenooten aan de groene tafel. Ik was steeds en ben nog voor liet beginsel, dat aan de motie van den heer de Roo ten grondslag ligt, voor het beginsel dat duidelijker en stelliger uitgedrukt is door den heer Stieltjes. Wanneer concessie voor een werk van algemeen nut wordt verleend, geschiedt dit dan in het belang van den concessionaris? Immers neen; zij wordt verleend in dat van het algemeen. Is nu de eiscli van het algemeen belang, dat het werk — in dit geval de aan te leggen spoorweg — tot stand kome zóó sterk, dat de Staat zich de schade getroosten moet, dan behoort hij die voor zijne rekening te nemen.

Ook ik ben van meening, dat de Regeering de macht moet hebben om te weigeren; doch verleent zij de concessie, in dat geval schijnt het mij natuurlijk, dat zij in de noodige verandering van Staatswerken zelve voorzie.

In het algemeen zou ik de vraag zóó beantwoorden, en in de gevallen, waarin ik oorlog te voeren had, kwam het mij voor dat zij aldus kon worden opgelost.

Met de restrictie, welke de heer de Roo voor alle gevallen aanneemt, dat, zoo door den aanleg van den geconcessioneerden spoorweg „rechtstreeks en onbetwistbaar, schade wordt toegebracht aan bestaande verdedigingswerken, die door den concessionaris moet worden hersteld", zou ik mij niet wel kunnen vereenigen. De woorden: „rechtstreeks en onbetwistbaar" zijn voor zeer verschillende interpretatie vatbaar.

„Onbetwistbaar". Wanneer men denkt dat eenig punt, welk ook, „onbetwistbaar" is, dan zal men zich teleurgesteld zien zoodra het punt in discussie komt. Ook „rechtstreeks" kan zeer verschillend verstaan worden. En in geen geval zou ik, evenmin als de heer Stieltjes, herstel van rechtstreeks onbetwistbaar toegebrachte schade tot eene algemeene verplichting durven maken.

Het antwoord dat ik, als mijne meening straks gaf, was een algemeen antwoord. Maar ik misken niet, dat, bij de groote verscheidenheid van gevallen, op mijn antwoord, als regel gegeven, uitzonderingen zeer noodig zouden zijn.

Nu zegt de Regeering, dat bij de eerstvolgende onteigeningswet gelegenheid zal zijn om het punt opnieuw te behandelen. Ik heb de verklaringen der Ministers van Oorlog en van Binnenlandsche Zaken in zooverre met genoegen gehoord als daaruit blijkt, dat in het vervolg steeds het wettelijke beginsel zal worden gevolgd, dat, alvorens de aanleg van spoorwegen begonnen worde, eene wet tot verklaring van het algemeen nut voorafga.

Of mij de solutie, welke de Ministers in den zin schijnen te hebben, aannemelijk voorkomt, daarover heb ik nu niet te spreken.

Maar ik neem uit die mededeeling en uit hetgeen ik aan de Kamer onderwierp aanleiding, den voorsteller in bedenking te geven, het onderwerp zijner motie bij eene andere gelegenheid ter sprake te brengen. Al mocht zijne motie nu aangenomen worden,

Sluiten