Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Er bestaat ook geenszins dezelfde drangreden om over een bepaald stuk grond te beschikken ten behoeve van eene suikerfabriek als ten behoeve van een publiek werk. Het laatste moet juist op die plaats, in die streek en richting worden aangelegd, waar het algemeen nut den aanleg vordert; voor eene suiker- of koffieplantage is men in de keuze van het terrein vrijer, en kan verschikken, zoo men al onoverkomelijke moeilijkheden in het verkrijgen van sommige akkers mocht ondervinden. En zijn zulke moeilijkheden, wanneer men een goeden prijs aanbiedt te vreezen V Méér dan hier te lande? Men wil toch schadeloosstelling geven.

De Minister heeft tot mijne bevreemding nu eene, mijns inziens, ongelukkige bijvoeging in het artikel zeer uitgebreid. Tot dusver was alleen van eene afloopende suikercultuur sprake; nu omvat de alinea alle tegenwoordige en toekomstige gouvernementscultures; hetgeen hun moet behagen, die daarvan uitbreiding en nieuwen bloei verlangen. „Volgens de daarop betrekkelijke verordeningen," die, naar veranderd inzicht veranderlijk, geenerlei vastigheid aanbieden.

De Minister heeft te zeer gehecht aan gevolgen, die in zijne opvatting het woord „beschikking" na zich sleept. Aan den leiband van dat woord is hij op een afweg geraakt, en heeft hij zich van het hoofddoel meer en meer verwijderd.

10 Maart. Beraadslaging over de vierde alinea:

„Grond, door inlanders in erfelijk individueel gebruik bezeten, wordt, op aanvraag van den rechtmatigen bezitter, aan dezen in eigendom afgestaan onder de noodige beperkingen, bij algeraeene verordening te stellen, en in den eigendomsbrief uit te drukken, ten aanzien van de verplichtingen jegens den lande en de gemeente en van de bevoegheid tot verkoop aan niet-inlanders."

De Minister heeft gisteren deze alinea in haar historisch verband gebracht: zij regelt, volgens hem, een recht, eene macht, door den Gouverneur-Generaal sedert althans dertig jaren uitgeoefend. Dit hoorende kwam bij mij, in herinnering van hetgeen de heer 's Jacob ons zeide, de vraag op: zoo aan inlanders hun eigen grond door het Gouvernement is verkocht, wat is verkocht en gekocht ? Volgens den heer 's Jacob is de Staatseigendom geen zuiver privaatrechtelijk, het is in de eerste plaats een publiekrechtelijk begrip. Is dan bij den verkoop van de stukjes grond, die tot dusver plaats heeft gehad, eenig publiek gezag op den kooper overgegaan? De vraag, wat hij, bij hetgeen hij reeds had, verwierf, zou tot eene interessante, juridische discussie kunnen leiden, waarin ik nu niet zal treden. Alleen wil ik bij deze gelegenheid opmerken, dat men mijns inziens bij de beschikkingen tot afstand, door den Gouverneur-Generaal krachtens het recht dat hij, volgens den Minister, althans sedert 1840 had, genomen, art. 11 van de Algemeene Bepalingen van wetgeving voor Nederlandsch Indië ten onrechte te pas brengt. Art. 11 zegt: „Behoudens de gevallen, in welke inlanders — zich vrijwillig hebben onderworpen

Sluiten